28 Februarie 1906 den Haag
Parkstraat 10a
Geachte Mevrouw,
U betoogt, dat Thymian minder aangename eigenschappen heeft. Wel, dat bestrijd ik niet. De kern van ons verschil schuilt, dunkt mij, ergens anders. U schijnt (in mijn ogen) het volgende te verlangen. Een man heeft misbruik gemaakt van de onwetendheid, de nieuwsgierigheid enz: van een meisje. Nu moet dit meisje daar niet alleen voor boetedoen; maar zij dient op eens zich als een modelmens te tonen en nu worden haar alle minderwaardige eigenschappen zwaar aangerekend, die bij een getrouwde vrouw geen gewicht in de schaal zouden leggen. Dit lijkt mij onrechtvaardig. Ik wil een zogenaamd gevallen vrouw niet alleen niet strenger, maar zelfs zachter dan een zogenaamd fatsoenlike beoordeeld zien. Ik geef haar het recht het ongeboren kind te doen verdwijnen of op te voeden; ik ontzeg ieder het recht haar om dat kind te verachten, ik geef haar ook het recht de man tot een huwelik of hoge schadeloosstelling te dwingen.
U zegt, dat Thymian willens en wetens de brede weg heeft gekozen en zich dus niet over haar noodlot mag beklagen. Dit willens en wetens geef ik na Meinerts daad en de gevolgen, die de wereld er aan verbindt, niet toe. De vrouw, die een zogenaamde misstap heeft begaan wordt - enkele toevallige gevallen uitgezonderd - door de mensen gedreven naar een soort kloosterleven of naar de prostitutie. Nu zijn er mensen, die in een kloosterleven krankzinnig zouden worden Die hebben dus geen keuze.
Kamers verhuren is ongetwijfeld een middel om aan de kost te komen. Maar ten eerste kan men daar zonder een sent op zak geen begin mede maken. Ten tweede komen alle mensen daarmede niet uit. Ten derde zijn alle mensen daar niet voor geschikt.
In het geld aannemen zit uw hoofdbezwaar. Ik begrijp 't; maar wie niets heeft en toch honger voelt, die stapt over alle bezwaren heen om die honger te bevredigen.
Het mooie van het boek is juist voor mij: gegeven Thymian, gegeven de omstandigheden, moest alles juist zo gaan.
Ik wil nu wel aannemen, dat het dagboek echt is, maar de toelichting bevat dan toch de woorden: (dass) manches überarbeitet werden musste.117
Dat manches zal wel heel veel geweest zijn.
U zegt, dat het leven zonder banden de mensen ongeschikt maakt tot een terugkeer in de gewone maatschappij. Ach ja; maar elk leven maakt een mens ongeschikt voor het tegenovergestelde.
Het boek van Clara Viebig ken ik niet.118 Van haar las ik nog niet veel moois.
Wat u van uitgevers schrijft begrijp ik. De sleutel van het geheim is, dat zij denken aan handelsbelangen en de schrijver of vertaler aan
kunstbelangen. Zo uiterst zelden kunnen

Deze foto stuurde Marcellus Emants aan Gonne van
Uildriks.
zij hand in hand gaan.
Die vijf duizend gulden kwestie vond ik heel onaangenaam voor u; want niet alleen, dat die som niet te verachten is, maar wie in partikuliere zaken met zijn geld scharrelt, loopt telkens tegen de lamp. Ik ken geen gevaarliker liefhebberij.119
U noemt de houding der geesten geretireerd. Ja dat is zo. Prof Hyslop120 verklaart dat aldus. Van hun kant hebben de geesten om tot een verstandhouding met ons te komen minstens evenveel moeilikheden te overwinnen als wij van onze zijde. Dat is wel een hypothese; maar een bruikbare naar 't mij voorkomt.
Met een magnetiseur zou ik in uw geval wel eens de proef nemen. Bederven kan hij altans niets, want magnetizeren is niet hypnotizeren. Of 't evenwel baten zal. Van genezingen heb ik nog niet veel van nabij gezien. Wel zag ik vermindering van pijn121 en weet ik bij ondervinding dat magnetizeren gunstig werkt op de spijsvertering. Indien uw bloedverwant jichtlijder uw brieven onvrouwelik vindt, kan ik hem geen ongelijk geven, daar de meeste vrouwen omlogies zijn. Het eigenaardige is, dat de meeste mannen logiese vrouwen niet goed kunnen uitstaan. Zij trachten dan die vrouwen juist als kinderen te behandelen om met hun logika de spot te kunnen drijven. Dit lukt in zulke gevallen echter slecht. Wat mij betreft, heb ik er niets tegen als een vrouw logies is. Mijn overleden vrouw was zeldzaam logies. Haar papa122 trachtte daar ook de spot mee te drijven; maar... doorgaans rookte hij dan een lelike pijp. Een vrouw, die tegelijkertijd logies en intuïtief is, staat m.i. biezonder hoog. Zulke vrouwen zijn evenwel grote zeldzaamheden. En nu groet ik u voor geruime tijd. Als alles goed gaat, hoop ik spoedig naar Tunis te kunnen vertrekken. Hoogachtend blijf ik
Marc. Emants
Naschrift
Bij het herlezen van uw brief bemerk ik nog iets te moeten schrijven.
U schrijft ‘Dus u vindt op reis gaan naar en zou toch niet willen t'huis blijven? Ik kan 't mij best voorstellen, maar waar
blijft dan de pessimistiese opgeruimdheid zolang?’
Antwoord. Die opgeruimdheid eindigt altijd met te zegevieren, maar kan natuurlik de eerste boze opwellingen niet tegengaan. Als die opwellingen er niet waren wist ik immers ook niet of ik iets aan- of onaangenaam vind.
U vraagt (van Thymian) En hoe vindt u die opvatting, dat ieder die ons wantrouwt, ons het recht geeft hem te bedriegen?123 Is u 't daarmede eens?
Antwoord. Zet voor ‘het recht’ ‘de lust’ en ik ben 't er mede eens.
‘'t Was een geluk, dat pap hier maar één dag was. Mam was heel naar, dat hij nu een aandeel van ƒ1800 tegen 8% of daaromtrent voor een manufactuur-inrichting heeft gekocht. Dit is echter iets anders dan Rafaël, de uitkeeringen zijn verschillend, naar gelang van de winsten der zaak. Maar het was natuurlijk vruchteloos gepraat: pap den heelen tijd schreeuwen en mam overstuur en moe. Zij is nu weer heelemaal goed. Hij heeft in Rotterd. heel goed blind gespeeld, 4 gewonnen, 2 remises, geen enkele verloren. Er stond nog een stuk over in 't Handelsblad, vol bewondering voor zoo'n genie! Dat zul je wel gezien hebben. Wij zijn nu begonnen zuiniger te leven: We hebben zoo wat alle lekkers en overbodigheden afgeschaft, en 't maakt een enorm verschil, misschien wel zoo iets als ƒ400 in 't jaar! Wij hebben nu in Delft, wat de financiën betreft, niet zoo'n zwaar hoofd, als dadelijk na 't bericht van het verlies.’
‘De graaf is ook zoo akelig wantrouwend en jaloersch. Dikwijls zegt hij, dat hij op reis gaat, en dan komt hij onverwachts terug, om te zien, of ik iemand bij mij heb. Hij vermoedt weinig, dat hij zoodoende juist het tegendeel bewerkt van wat hij wil. Want als iemand mij vertrouwt en zich volkomen op mij verlaat, zou ik het ontzaglijk laag vinden, iets achter zijn rug te doen en mij liever een vinger afhakken, dan hem te bedriegen. Maar als een ander achterdochtig op de loer ligt en overal reden tot wantrouwen meent te vinden, ook waar die niet bestaat, zie ik er geen bezwaar in, mijn gang te gaan.’