24 Mei 1906 den Haag
Geachte mevrouw,
Uw brief van 7 April is mij een poosje nagereisd door de onachtzaamheid van de Franse post, maar toch eindelik in handen gekomen. U schreef mij, dat u 't barbaars koud had. Welnu, ik heb 't misschien nog kouder gehad. En dat in Algiers onder de Afrikaanse zon. 't Is waar, het land ligt grotendeels zeer hoog (wel 1000 meter); maar op sneeuwstormen had ik me toch niet voorbereid. En die moesten wij trotseren in een open omnibus zes uren lang. In 't algemeen is de reis me niet meegevallen. De natuur is in Algiers maar op zeer weinige plaatsen mooi. Dagen lang spoort of rijdt men over kale vlakten, die niets eigenaardigs hebben. Voorts is het Arabiese leven in de grote centra er veel te veel van het Franse doortrokken. Slechts Bogari, Kairuan en Sousse125 vond ik de moeite waard; ofschoon de soeks van Tunis126 en de woningen van Sidi Okba127 ook wel eigenaardig zijn.
Summa summarum hadden wij in zeven weken ongeveer veertien merkwaardige dagen en nu vind ik dit te weinig om daarvoor te trotseren: het afschuwelike eten, de allersmerigste hotels, de ellendige spoorwegen en boten. Egypte vond
ik veel, zeer veel merkwaardiger; maar... ik was daar 26 jaar geleden.128 -
Aangenaam vind ik 't voor u, dat u tans vertaalwerk heeft en als u het boek Love and Mr Lewisham zo mooi vindt, wil ik 't gaarne in uw vertaling lezen.129
Zo kinderlik kon ik in 1875 de Zweden nu juist niet vinden. Wél vond ik ze luchthartig, jolig en oppervlakkig.
De geschiedenis van Richet te Algiers is mij bekend.130 Jammer, dat de foto's in Het Toekomstig leven
zo onduidelik zijn,

Jozine Simons-Mees. (Collectie Letterkundig Museum.)
dat ze nooit met de beschrijving kloppen. Weet u, dat de koetsier van Villa Carmen verklaard heeft de hele vertoning te hebben geleverd? Richet beweert nu, dat die koetsier liegt. Ik weet 't natuurlik niet; maar 't is wel jammer, dat nu al weer deze feiten in verdenking komen.
Uw ophelderende droom was maar... een droom. Mijn ogen zijn beslist bruin en niet eens biezonder donker.
Mevrouw Simons is mij onbekend. Hem ken ik wel.131 Ik ben een groot bewonderaar van veel in het werk van Mevrouw Simons; maar lang niet van alles.
Zeer merkwaardig vind ik de schildering van haar veroveraar132 als type; veel minder vind ik de schildering van de werking, welke deze veroveraar op dat meisje heeft. Haar stuk Een moeder133 vind ik alleen vervelend.
Mijn spiritisties stuk rust. Misschien zal mijn vrouw het in het Duits vertalen. Dat is evenwel nog onzeker.
Voor 't ogenblik werk ik weer aan een ander stuk en aan een paar feuilletons voor Het Vaderland.134
Hopende, dat het u goedgaat en u bij voortduring in uw werk bevrediging vindt, teken ik hoogachtend
Marc. Emants