den Haag 1 Desember 1906
Geachte Mevrouw,
Zeker verwonderde 't mij op eens een brief van u te krijgen uit Delft;155 maar het deed mij genoegen te mogen lezen, dat u per slot van rekening met de verandering tevreden is. Het valt me natuurlik niet gemakkelik mij in uw tevredenheid te verplaatsen. Onze omstandigheden verschillen daarvoor te veel. U vindt een zeer klein huis hoe langer hoe meer naar uw zin; ik kan me niet voorstellen, dat het grootste paleis mij ooit te groot zou wezen.
U begrijpt niet waarom ik met het gure jaargetij in Nederland blijf. Wel; dat is tamelijk eenvoudig. Ik lijd in Italië, Spanje,
Tunis, Algiers, de Rivièra nog meer van de kou (al is die ook minder) dan in mijn geheel verwarmd huis. Om een klimaat te vinden, dat mij aanstaat in de winter zou ik minstens tot in Nubië moeten gaan. Dat gaat niet elk jaar en zou op den duur ook vervelend worden.
Ook moet ik in Nederland blijven wonen zolang ik kan en wil schrijven. Ik weet wel, dat Couperus in Nizza woont156 en toch Nederlandse toestanden beschrijft; maar ik ben nu eenmaal Couperus niet. Ik moet dageliks uit talloze kleinigheden, die ik opvang, de indrukken verzamelen, waarvan ik eindelik iets maken kan.
Op een stil buiten, in een ouderwets vierkant huis met lange zware lanen en grachten... o neen! Heel aardig voor een paar smoorhete dagen; maar dan heb ik er ook schoon genoeg van. Als ik ooit den Haag verlaat, nl. voor goed verlaat, ga ik òf daarheen waarheen men mij zendt voor mijn gezondheid of de gezondheid van mijn vrouw, òf ga ik wonen in Zürich.157
Zürich is de enige stad, die mij aantrekt.
Grotere steden als Parijs, Londen, Berlijn haat ik; de landelike eenzaamheid haat ik ook. Zürich biedt mij al wat ik verlang nl. een aangenaam klimaat, een mooie schouwburg, een dito konsertzaal, heerlike wandelingen, een uitstekende ligging voor allerlei kleine en langere uitstapjes.
U ziet dus, dat ik mij niet zo volkomen als u buiten de roerige wereld voel staan. Integendeel heb ik die wereld nodig; maar als toeschouwer. Naar een meedoen in het geroezemoes verlang ik niet.
Dat u Sonnetten in het Engels durft schrijven bewonder ik. Mij blijft die taal zo vreemd, dat ik telkens en telkens weer Engelsen moet horen spreken om te kunnen geloven, dat er heus mensen bestaan, die om hun gedachten te kunnen mededelen, zulke afschuwelike geluiden moeten maken. En als ik Engels lees, blijf ik altijd in een nevel met het gevoel, dat me raadseltjes worden opgegeven. Zweeds, Noors, Italiaans en Spaans lijken me veel begrijpeliker en 't is me steeds een raadsel, dat zoveel Nederl. jonge dames durven zeggen: o,
Engels is zo gemakkelik.
Ik hoop van harte, dat Delft u zal blijven bevallen. Een eigenaardig stadje is 't zeker wel, maar o zo oud, zo stil, zo... muf. Nu is 't waar, dat in onze steden het leven eigenlik overal muf is. Den Haag is dus hoogstens een beetje minder muf.
Kent uw zoon in Delft ook mijn neef A van den Tol?158 Zo ja zou ik gaarne eens vernemen hoe hij over hem denkt. Ik begrijp dat jonge mens nog in 't geheel niet, maar hij interesseert mij in menig opzicht.
Wat Wells betreft, dank ik u voor de toezending van zijn boek159 en wil ik ook wel erkennen, dat zijn fantastiese schetsen mij beter voorkomen dan zijn meer realistiese. Een schrijver naar mijn hart u is hij evenwel niet. Dat ik met het Engels altijd getobd heb en zal blijven tobben kan daar ook wel wat toe doen. Eerlik gezegd ben ik ook maar zelden een warm bewonderaar van Shakespere en vind ik die man zelfs onuitstaanbaar zodra hij poogt aardig te zijn. Dat Wells alle afwijking van primitieve eenvoud (volgens u) zo gek vindt trekt mij ook al niet aan. Want wat is primitieve eenvoud? Zelfs de aap is al een vooruitgang geweest. Reeds ten tijde van Nestor160 waren er lui, die het verledene prezen als eenvoudiger, beter enz: Maar het komt mij voor, dat al die laudatores161 raar op hun neuzen zouden gekeken hebben als het ‘geprezen verleden’ eens plotseling ‘heden’ ware geworden. Bovendien zegt Wells - en dat ben ik met hem eens: ‘to each generation the life of its time’. Wil men de beschaving [‘]a monstruous fraud of civilisation’ noemen, omdat het hele leven toch naar niets leidt en wel beschouwd een grote mystifikatie is, dan... mij wel. Daar kan ik in komen. Maar dan is het verleden al net even zinneloos als het heden.
Mag ik van de gelegenheid gebruik maken u naar een verklaring van enkele Engelse uitdrukkingen te vragen?
| Bl: 231 (Wells) Daar staat tweemaal anticipate en moet dit woord tweemaal iets anders beduiden. Of vergis ik me daarin. |
| 286 His monotine. Wat is dat? |
| 286 passing it on Wat is dat? |
| 286 held his own Wat is dat? |
| 296 Flukes Arm van een anker zegt mijn woordenboek, maar dat past hier toch niet. |
| 296 a fare assisted by pigments Wat is dat? |
| 310 Daar staat herhaaldelik ‘hurt’ zonder voorwerp. Wat betekent dat? |
| 282 Scrap Wat beduidt dit daar? |
Het boek zend ik u eerstdaags in dank terug.
Mijn spiritisties stuk162 komt met 1 Januarie in de Gids. Leest u die geregeld of zal ik u een afdruk zenden?
De winter, die ik vrees, heeft ons gelukkig nog weinig of geen koude voorlopig gebracht. Des te meer duisternis evenwel en ik ben zo erg op zon gesteld. Eéns in mijn leven heb ik een man ontmoet, die rondweg zeide: ik vind de wereld afschuwelik bij zonneschijn, maar ik houd dol van regen en bewolkte lucht. In zo'n mens kan ik me alleen verplaatsen voor zover ik een schilder in hem mag zien, die 't uitsluitend heeft over de tinten. Maar dat iemand door lelik weer goed en aangenaam gestemd wordt... neen, daar begrijp ik niets van.
Het dubbelportret van u en uw zoon lijkt me zeer goed!* Al een hele heer, die zoon van u.
Met de beantwoording van mijn vragen heb ik natuurlik in 't geheel geen haast.
U veel genoegen met Sinter Klaas wensend teken ik hoogachtend:
Marc. Emants

‘Van Annie vandaag een brief, dat Gon in Delft Komt wonen en Tukie er studeert. Hij kon niet naar Loosduinen dagelijks; de stoomfiets was eenige keeren geslipt. Sneu voor Gon, die zoo graag stil en afgelegen woont.’