terug  begin  verderprepost
[p. 13]

Brieven aan Frits Smit Kleine

21 mei 1873

Marcellus Emants was op 30 januari 1873 in het huwelijk getreden met Christina Magdalena Guilelmina Prins. De reis waarover hij in deze brief spreekt, was hun huwelijksreis naar Italië en Oostenrijk (vgl. brief van 24 juli 1887). Er is over het eerste korte huwelijk van E. - zijn vrouw stierf reeds in januari 1875 - weinig méér bekend dan wat in deze en de beide volgende brieven te vinden is. - Met Sp en H wordt het tijdschrift Spar en Hulst bedoeld, waarvan twee afleveringen zijn verschenen in 1872 bij de Erven Thierry en Mensing te 's-Gravenhage. Toen het derde nummer ter perse lag - aldus een notitie van SK. zelf op deze brief, gedateerd 1920 - had Mensing niet verder lust voort te gaan. J.C.W. Mensing, die eigenaar was sinds 1863, was de vierde generatie die de firma dreef. In 1875 deed hij zijn zaak over aan de Wed. M.J. Visser. Uit dit schrijven blijkt dat toch nog de hoop bestond de uitgave te hervatten. - Een aantekening van de hand van SK. onder de datum wijst uit dat hij E. op zijn brief antwoordde op 24 mei 1873. - Een tweede notitie van SK., ofschoon op het papier van deze brief geschreven, heeft betrekking op E.'s brief van 9 november 1874. Men zie dus aldaar. - In een voetnoot betreffende Christina Prins deelt Haje mede dat zij een nicht van E. was. Dit is slechts ten dele juist: zij hadden dezelfde grootvader, maar niet dezelfde grootmoeder. De moeder van Christina Prins was een dochter uit het tweede, de vader van de schrijver een zoon uit het derde huwelijk van mr. Marcellus Emants, en de enige overlevende mannelijke afstammeling. - Alfons F. Leesberg studeerde rechten in Leiden en was een van de medewerkers aan Quatuor. - De onderstaande brief werd voor de eerste maal gepubliceerd door Ch. F. Haje in Den Gulden Winckel, 1928 blz. 7-8.

 

Gmünden 21 Mei 1873

Zwischen Linz ü Salzburg Theatergebäude, 3en Stock.

 

Amice,

In uwen brief, dien ik te Rome ontving, gewerd mij de belofte van iedere maand iets van u te vernemen. Daar ik later niets meer van u hoorde, vermoed ik dat er een brief verloren is gegaan, wanneer ten minste geene buitengewone omstandigheden u belet hebben mij een paar woorden te zenden. Reeds geruimen tijd was ik voornemens u hierover te schrijven, maar werkelijk buitengewone en vrij onaangename omstandigheden weerhielden mij. Stel u voor dat wij reeds in de Paaschweek beiden ons niet al te wel begonnen te gevoelen. De vervelende kerkdiensten, die nu van alle pracht en aantrekkelijkheid ontbloot niets dan hun slaperigmakend, stuitend karakter hadden behouden waren weinig geschikt om ons in eene goede stemming terug te brengen. Daarbij kwam dat wij soms naar 3, 4 plaatsen heenliepen om overal te vernemen dat deze plechtigheid niet doorging,

[p. 14]

of gene reeds een paar jaar was afgeschaft. Genoeg, wij waren lam en ziek naar lichaam en geest, gure dagen verergerden dien toestand en den Vrijdag na Paschen vluchtten wij beide naar Albano in de bergen om aldaar de koorts kwijt te raken, die ons bijna gelijktijdig had aangegrepen.

In plaats nu van hier zooals wij hoopten in twee à drie dagen te herstellen begon de pret nu pas goed. Eerst werd de koorts bij mij heviger, ik wilde tot allen prijs geen' Italiaanschen dokter, dien ik volgens de algemeene reputatie voor duur en dom hield, en nam dus op mijne eigene verantwoording eene stevige dosis chinine. De koorts bleef weg; doch hoe lang ben ik niet ellendig geweest omdat mijn lichaam niet was uitgeziekt. Zonder eenigen eetlust, vermagerde ik met den dag, sliep niet, kreeg eene brandende tong, dof suizen in het hoofd, eene telkens opnieuw gedérangeerde spijsvertering enz. enz. Ondertusschen was de koorts ook bij mijne vrouw teruggekomen en den nacht van 19 op 20 April begon zij te ijlen en zelfs met voorwerpen, die onder haar bereik waren, door de kamer te gooien. Terstond liet ik nu 's morgens den dokter halen, in wien wij later een verstandigen, goedigen, aangenamen man vonden, die slechts (voor Italië) 5 francs per visite vroeg. Aanvankelijk vreesde hij voor typhus, maar gelukkig verdween deze vrees, en werd het eene febbre rhumatica-gastrica die haar eene kleine 14 dagen aan het bed kluisterde. Geen aangename dagen waren dit voor ons, beiden zwak en gevoelig leden wij in deze hooge streek verschrikkelijk van de koude, die niet verminderd werd door alle gebrek aan een stookplaats en een steenen vloer. Bovendien kreeg ik tot voorschrift veel te eten en was 't mij onmogelijk het zure brood en de ellendige taaie schapencoteletten te nuttigen, die ik elken dag als eenig gerecht voor mijne oogen kreeg. Na deze ellende brachten wij met inpakken en aansterken nog eenige dagen in Rome door tot wij 12 Mei in drie sterke dagen tot Salzburg doorspoorden. Een dezer dagen zag ons in de wagon van 4.55 's morgens tot 12 uur 's nachts. In Salzburg bleven wij een' dag stil om eenige inkoopen te doen, een piano en violoncel te huren en vertrokken toen naar Gmünden. Het doel van ons zijn alhier was tweërlei, maar wij zullen helaas! de eerste helft alleen bereiken. Wij hadden ons nl. voorgesteld hier door de hooge, berg- en dennenlucht verbonden met de heerlijke natuuromgeving een gezond en aangenaam verblijf te vinden. Dit zal, wanneer het weder meewerkt, zekerlijk wel het geval wezen, want het kleine deel dat ik tot nu toe van de omgeving zag voorspelt mij reeds hoe heerlijk wij naar wijd en zijd te voet, te water, per rijtuig en per spoor onze toeren iederen [dag] zullen kunnen afwisselen. Doch als nevendoel hadden wij na het dure verblijf in Rome gedacht hier voor Weenen netjes te zullen droogen, en dit valt geheel in 't water, want het leven is hier nog duurder dan in Italië. De prijzen zijn in de laatste jaren ongehoord gestegen en vooral de levensmiddelen zijn hier fabelachtig duur. Wanneer Gmünden in vergelijking tot Ischl goedkoop wordt genoemd, dan begrijp ik niet welke fortuinen tegen een verblijf in Ischl bestand zijn. Wij leven nu hier op twee eenvoudige, doch nette kamers, die een balcon met uitzicht op de Traunsee hebben, zeer kalmpjes, en hoopen als wij een beetje drooger weer hebben te wandelen, te schilderen, te lezen en te schrijven. Een theater en concerten hebben wij

[p. 15]



illustratie
Christina Magdalena Guilelmina Prins, eerste vrouw van Emants

hier ook. Wij wonen zelfs in bij den Theaterdirector een mannetje vol buigingen en complimenten, dien ik wel eens zou verzoeken eene Probe te mogen bijwonen, wanneer zijne troep maar wat beters dan Possen en Lustspielen opvoerde. Zijne vrouw is eene goedige dikzak, die ons, als het eten in de restaurant minder lekker is rijst en brei, coteletten, gebakken aardappelen of wat zij bij toeval op schotel heeft tegen een matigen prijs tot avondeten afstaat.

Na u nu aldus weder op de hoogte mijner tegenwoordigen omstandigheden gebracht te hebben, zal het mij aangenaam zijn als gij mij op uwe beurt weder eens een en ander uit het vaderland meldt. Ook omtrent Sp en H ben ik meer dan verlangend berichten te krijgen. Hopende dat uwe vrouw en kind welvarend zijn, zult gij de eerste wel mijne groeten willen overbrengen.

Mocht het u niet te lastig wezen geef dan bij gelegenheid (bijv op de Witte Societeit) inliggende brief eens aan Leesberg. Haast is er in geenen deele bij.

Als altijd blijf ik:

 

tt

Marcellus Emants

[p. 16]


illustratie
Fragment op ware grootte van de brief van 1 juni 1873

prepostterug  begin  verder