In het najaar van 1874 verscheen E.'s eerste in boekvorm gepubliceerde werk, Juliaan de Afvallige, drama in vijf bedrijven, bij W.C. de Graaff in Haarlem. Voorzover valt na te gaan is het stuk nooit gespeeld. - De onderhandelingen met de Graaff, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de oprichting van het tijdschrift De Banier, dat in 1875 begon te verschijnen en 6 jaar heeft bestaan. De uitgever zou driekwart van de winst ontvangen en de drie redacteuren E., SK. en J. van Santen Kolff de rest. Maar eerst vanaf de tweede jrg. deel II kreeg de redactie deze samenstelling: in de eerste jaargang werd zij gevormd door E. en SK., op de derde aflevering stond mr. F. Stam vermeld als secretaris van de redactie en bij het begin van de tweede jrg. werden mr. S. Katz en J. van Santen Kolff als redacteuren, met de beide anderen op het omslag vermeld, van wie mr. S. Katz dus weer spoedig verdwijnt. Hierbij sluit de notitie aan van SK. op E.'s brief van 21 mei 1873: ‘De Banier bij W.C. de Graaff te Haarlem uitgegeven heeft na 7 jaren aan Emants en Kolff ieder ƒ1500.- gekost en aan mij ƒ500.-. - Deze brief, waaraan de ondertekening en misschien méér ontbreekt, ofschoon dit met het oog op de laatste zin niet zeer waarschijnlijk is, werd een eerste maal afgedrukt door Haje in Den Gulden Winckel 1928, blz. 8-9. Een gedeelte eruit werd door SK. aangehaald in een noot bij zijn artikel ‘Iwan Turgenjew en Marcellus Emants’ in Den Gulden Winckel van 15 september 1919.
Arnhem 9 November 1874
Amice,
Dank voor uwe welwillende beoordeeling van Juliaan. Daar mijne vrouw wederom ongesteld was, moesten wij ons vertrek nogmaals uitstellen, zoodat ik eerst Vrijdag uwen brief alhier vond. Twee opmerkingen moet ik op uwe woorden
maken. De eerste is over de ongeschiktheid ter opvoering. Het moet hiermede dunkt mij gaan als met de stukken van Wagner. Indien zij het publiek lokken, dan is de reden hiervan tweeerlei. Een deel (een klein deel dat geef ik u toe) komt omdat het de ware schoonheden kan apprecieren. De rest wordt geboeid door de vertooning. Mij dunkt dat eene uitroeping tot keizer met opheffing op 't schild in het eerste bedrijf, een optocht in 't tweede met de klinkende profetie van den Antichrist, een Christenvervolging met brand, en optocht der Christenen in 't derde, eene gevangenneming en vermoording der Christenen in het vierde en een slag met Juliaan's dood in het laatste stof genoeg is om een publiek gedurende een avond bezig te houden. Bovendien zal de handeling voor het gezicht overal genoeg spreken, al verstaat men de woorden niet.
Uwe opmerking dat Juliaan te modern is, doet mij plezier, want juist om de groote overeenkomst van zijne eeuw met de onze en om het moderne van zijn karakter heb ik hem tot held gekozen.
Zeer benieuwd ben ik naar recensies.
Ook ben ik nieuwsgierig naar den afloop uwer onderhandelingen met de Graaff Eenigzins katterig zijnde ten gevolge van de noodige citroentjes, glazen bier, roode jenever, port, roode wijn, Elixir de Spa, Rijnsche wijn en Champagne, heb ik geen lust u meer kletspraatjes te verhalen.