Loki, dat Godenschemering zou worden, verscheen in 1883 bij H. Pyttersen Tzn in Sneek; het werd, bewerkt tot dramatisch gedicht in vier zangen, opnieuw Loki genoemd in de uitgave daarvan in 1906 bij van Holkema en Warendorf te Amsterdam. - T.C. van der Kulk was redacteur van Het Vaderland en De Tijd-
spiegel. Blijkbaar doelt E. hier op een kritiek van zijn roman Jong Holland, waarop het volgende betrekking heeft. Clara en Elisabeth zijn de dochter en de echtgenote van de bankier Henri Scheffer uit die roman die in 1881 te 's-Gravenhage bij Henri J. Stemberg verscheen. - Het artikel over Balzac van Taine, door E. aangehaald in zijn voorrede bij Een drietal novellen, Haarlem, W.C. de Graaff 1879, is te vinden in diens Nouveaux Essais de Critique et d'Histoire, Hachette 1865. (Zie ook de aantekening bij de brief van 8 juli 1879). - Het hier bedoelde artikel van SK. over Thijm is opgenomen in de bundel Schrijvers en Schrifturen, Haarlem, H.D. Tjeenk Willink 1891 en verscheen in 1881 in De Nederlandsche Spectator. - Het toneelstuk Adolf van Gelre zou eerst veel later het licht zien, nl. in 1888 te 's-Gravenhage bij W. Cremer. - Dolly en Job, resp. op dit moment 11 en 9 jaar, waren kinderen van SK. - Jacob van Santen Kolff, die kort tevoren getrouwd was, ging eerst naar Dresden en daarna naar Berlijn, waar hij als muziekcriticus een bestaan vond. Over ‘blinde’ Kolff, zie toelichting bij de blief van 22 sept. 1880.
Glion près Montreux Pension Victoria
13 April 1882
Amice,
Uit je laatsten brief werd mij niet duidelijk of hij zich al dan niet met mijn voorgaanden gekruist had. In de onzekerheid daaromtrent antwoord ik maar spoedig. Hoe gaat het je? Goed, maar na de tropische hitte van Florence ben ik hier verstijfd van koude. Gisteren sneeuwde het een kwartier lang. En je vrouw? Dito, dito. Waar zit je? Zie boven, 749 meter boven de zee. Wanneer komen jelui terug? Tegen September. Hoe vordert Loki? Langzaam maar gestadig. Het gedicht zal heeten Godenschemering. Heeft hij reeds het menschelijk geslacht onder zijn klauwen tot pulver gedrukt? Hij heeft er geen plan op, want zij zijn hem te nietig. -
Je brief op den voet volgend kom ik tot v.d. Kulk. De man twijfelt aan de waarheid mijner voorrede; dat neem ik hem kwalijk. Tegenover mijn karakterschets door redeneering verkregen, stelt hij er een die hij uit de monden der lijders opgevangen heeft. Dat procedé komt mij voor ten eenemale onjuist te wezen omdat noch het ‘ken u zelven’, noch de menschelijke openhartigheid genoegzaam ontwikkeld zijn om in dezen eenige waarde aan de uitingen van een mensch te kunnen hechten.
Juist is dat Clara en Elisabeth veel te vaag zijn.
Je plan om in artikelen levende schrijvers te behandelen vind ik uitmuntend. Taine's artikel over Balzac m.i. in dit opzicht een meesterstuk, is waarlijk een sleutel voor dien kunstenaar te noemen. De heerschende critiek vink ik verderfelijke onzin. Verderfelijk omdat zij de weinig denkende tot volkomen niet-denken brengt; onzin omdat zij slechts streeft datgene te vinden wat er op aantemerken zou kunnen zijn en dus door den zelfstandig denkende niet beacht wordt. Een schilderend of karakteriseerend opstel daarentegen kan geen slechten kant hebben en moet
nut stichten door belangstelling, optewekken. Dat ik je artikel over Thijm uitstekend vond zeide ik reeds en je groote belezenheid maakt je meer dan iemand geschikt tot het schrijven van dergelijke opstellen. Wat mij aangaat, zwijg over Adolf van Gelder, dien ik nog eens omwerken wil, en zeg vooral niet wat je eens in den Haag zeidet nl. dat ik schandaal zoek. Het laatste schuw ik evenmin als ik het zoek. Mijn leer is dat men alleen iets goeds tot stand kan brengen door onbekommerd om blaam of lof zijn weg te gaan. Ergo ga ik mijn weg. De weinige keeren dat ik rekening hield met de critiek is 't mij slecht bekomen. Juist die dingen werden later afgekeurd. Ik doe het dus niet meer. Veel mooi's zal er wel nooit van groeien daar een stervend volk geen kracht meer heeft om iets goeds tot stand te brengen. Zelfs Multatuli, de groote denker, maar vormlooze kunstenaar is daar 't bewijs van. Maar: in magnis voluisse sat.
Ten Brinks houding begrijp ik zeer goed. Eertijds waren wij de vriendelijk geprotegeerde jongelui: Nu begint papa te bemerken dat hij oud wordt en dat de jongeren dreigen zijn plaats intenemen. Hij had onlangs ook allerlei grieven tegen mij en Scheurleer.
Om op mijzelven terugtekomen beveel ik je aan vooral mijn artikel over Turgenjew te lezen. Deze auteur is mij boven allen (ook ver boven Zola van wien ik niet zooveel houd als ten Br. denkt) dierbaar omdat ik zelden zoo juist mijn eigen opvatting van kunst, karakter en leven bij iemand weervond als bij hem. -Natuurlijk met uitzonderingen - Wil je mij als ten Br een volgeling van Zola noemen, wat ik niet wensch, zeg dan tenminste dat ik hem als karakterteekenaar al zeer laag stel, maar als schilder buitengemeen hoog.
Wanneer je mij weer eens schrijft dat het je slecht, gaat, maak ik aanspraak op wat meer verklarende détails. Ik begrijp er nu niets van. Spreek je over gezondheid of moreel lijden?
Dat Dolly opgroeit doe[t] mij uitermate veel genoegen voor je. Hoe oud is zij en hoe gaat het met Job?
Kolffs toestand is zeer zeker treurig. Ik recommandeer mij als je er iets naders van mocht hooren.
Gaat hij naar Berlijn aan een courant?
Blinde Kolff keert eerstdaags terug naar den Haag.
Voor het oogenblik niets meer te zeggen hebbend en mijn vingers niet meer voelend van de kou sluit ik de groeten van Eva in en verzoek je de onzen aan je moeder overtebrengen.
Geloof mij steeds,
tt
Marcellus Emants