SK. vertaalde verscheidene werken van de Roemeense Koningin Carmen Sylva, wat hem dan ook een hoge Roemeense onderscheiding zou bezorgen. Een van deze boeken was de door haar en Mite Kremnitz geschreven roman Astra die in 1886 bij P.N. van Kampen en Zoon te Amsterdam verscheen. - Het Wittebroodskind: Wittebroodskinderen werd opgevoerd door het gezelschap van de heren Prot en Zoon en ingeleid door een voordracht van Jan ten Brink. - In de brieven van E. aan SK. is hier voor de eerste maal sprake van mej. Fastré. In een brief aan mr. H. Zillesen van 2 november 1923 (Verz. Lett. Museum) vermeldt SK. echter dat zij hem al vanaf 1879 ‘zeer intiem’ kende. De verklaring moet desondanks niet gezocht worden in het feit dat slechts ongeveer de helft van E.'s brieven aan SK. bewaard is gebleven. Een brief van SK. aan Isaac Esser Jr. van 16 juli 1886 geeft een duidelijker uitleg: ‘Omtrent de beminnelijke jonge vrouw, die thans mijn huishouden bestiert, zeg ik U dit: haar beeld zal ik nimmer of in mijn eersten roman schetsen. Ik venereer haar sinds acht jaren, niet het minst wegens hare glasheldere ziel en hare artistieke opvatting der dingen. Zij maakte van '78 tot '83 het diep-treurige leven mijner hoogst voortreffelijke moeder dragelijk. Zij is dochter van een artiest en heeft jaren achtereen hare slechte moeder voorbeeldig onderhouden en verzorgd. Zij is “the queen of mij heart” en vastbesloten ten einde toe met mij te dragen. Bijeen of gescheiden. Een heldenstrijd, verbeeld ik mij, die nu reeds acht jaren wordt volgehouden, maar wezenlijk niet fraai is in beider oog. Van verliefdheid geen sprake: there are more things etc.’ (Verz. Lett. Museum). SK. huwde Anne Fastré op 11 februari 1892, ruim een jaar na de dood van zijn eerste vrouw. E. en zijn echtgenote waren bij het huwelijk getuigen.
's Gravenhage 25 Sept. 1886
Amice,
Zeer aangenaam zal 't mij zijn je vertaling van Astra te mogen ontvangen. Ik heb je - in afwachting van de afgedrukte exemplaren - eenige proefvellen van Uit Spanje toegestuurd, omdat je daar vroeger eens voor andere boeken op aangedrongen hebt. Zoodra ik de volgende vellen krijg stuur ik je wederom een lading. Ik hoop dat het boek je zal bevallen.
Wat het honorarium aangaat voor het stierengevecht zal het mij het welkomst wezen, indien je dit vóór November nog aan mijn adres zoudt kunnen zenden. Wij gaan nl. in de laatste dagen of eerste dagen van November weer voor eenige maanden weg en zulke geschiedenissen geven maar verwarring gedurende mijn afwezigheid. Naar ik meen komt het op ± ƒ33, indien ik ten minste niets extra reken voor de drukfouten waarvan het wemelt.
Stam woont Oranjestraat No 5. Daar ik nu toch schrijf, geef ik je dit maar tegelijkertijd op.
Een paar dagen geleden aten Kolff en echtgenoote bij ons. Ik vind hem erg dik
geworden; maar dit zegt hij wederkeerig van mij. Zij denken er over nu ook Parijs eens met een verblijf te vereeren. De vraag is echter of zij daarvoor niet te veel verduitscht zijn.
Ik heb mij verleden weer eens geërgerd aan een stuk van het Nederl. tooneel nl. aan het wittebroodskind. Als de raad van beheer zulk een vod van een Hollander ontving, zou hij het zeker geweigerd hebben.
Onverstandig is dit ergeren evenwel ook, want wie daar in Nederland eenmaal mêe begint, weet niet wanneer hij ooit wêer zal kunnen ophouden.
Mijne groeten aan Mej Fastré.
tt
Marcellus Emants