Het echtpaar SK. vestigde zich in het begin van 1893 in Haarlem, waar het tot 1898 verbleef om vervolgens naar Doorn te verhuizen. - Het gekwebbel in Den Haag dat ‘nog’ in vollen gang is slaat misschien op wat SK. in zijn brieven ‘de zaak Emants-Snijder’ noemt; zie hiervoor de Inleiding.
Kyoto 14 April 1893
Amice,
Waarschijnlijk ben je op dit oogenblik aan het pakken en ontvang je dezen brief geïnstalleerd in je nieuwe huis. Geluk zij je gewenscht in die nieuwe woning. Dat ik mijn brief nog richt naar Maarssen vindt zijn grond in mijn onbekendheid met je adres te Haarlem.

Ofschoon Eva de influenza heeft gehad - een koopje in een hôtel - maken wij 't goed. Wij leven nu in 't land, waar men achter papieren vensters zit, op plankjes rondtrippelt en met stokjes eet. Met mate doen wij nu en dan aan die eigenaardigheden mede. Onder anderen hebben wij nu al tweemaal op zijn Japansch gedineerd en eens een bal in de grrroote wereld alhier met onze tegenwoordigheid vereerd. Dit bal werd gegeven door den Vicomte Akimoto en zijn kleedermaker deelde de uitnoodigingen rond. Hij had de goedheid ook aan ons te denken. Op dit bal waren tegenwoordig de Chineesche gezant, de Coreaansche gezant (een kerel met een hoed van gaas op) een Buddha priester, een Engelsche dominee, eenige Japansche prinsen en prinsessen, een zoodje Amerikanen en Engelschen en ... wij. Het bal op zich zelf was niets waard; maar 't was een lust de Japanners - vooral de Japansche dames, die meest allen in nationaal costuum waren - tegen elkander te zien buigen. Zij gaan daarbij nagenoeg op de hurken zitten, meesmuilen dan allerlei complimentjes en rijzen eindelijk weer omhoog slurpend als iemand, die iets zeer lekkers drinkt. Ik vertel dit zoo uitvoerig, omdat wij 't pas hebben genoten; maar die Chineezen met hun minachting voor de Europeesche barbaren waren ook lang niet mis. In Canton werden wij o.a. vereerd met een uitroep, waarvan wij eindelijk de verklaring eens vroegen aan onzen gids. Ach zei hij, dat is niets; zij roepen sla hun den kop af! Te Hong Kong werden wij alleraardigst ontvangen door de Duitschers en Hollanders. Wij woonden daar een buitenpartij bij, waarop zes en vijftig personen tegenwoordig waren. De zaak was mooi opgezet. Onder anderen was er een wedstrijd voor dames georganiseerd, waarbij zij met geblinddoekte oogen een aarden pot stuk moesten slaan. De prijs was een zilver vaasje en die prijs werd gewonnen door Mevrouw Emants. ‘Holland hoch’ weerklonk toen uit aller mond. - En zoo zijn wij nu al over de helft van onze reis. Ik ben bang voor onzen terugkeer. Brieven van lieve bloedver-
wanten vertellen ons, dat in den Haag het gekwebbel nog in vollen gang is. En je weet iemand die uit den vreemde komt, is altijd veel vatbaarder voor een epidemische ziekte dan de inwoners van een land.
Eva verzoekt me je mee te deelen dat zij een brief van Anna wachtende is en niet snapt waarom dit epistel zoo lang uitblijft. Ik antwoord natuurlijk, dat ook ik wachtende ben; maar dit baat niet. Eerst een brief dan zal ook zij de pen ter hand nemen.
Is Bastert goed van de reis teruggekeerd?
Zoodra wij terugzijn hoop ik eens over Bastert en nog wat met je te kunnen keuvelen. Intusschen sluit ik vele groeten in voor Anna en wensch ook haar geluk in het nieuwe huis.
Maken de kinderen 't nog al goed?
Tot nader schriftelijk of mondeling.
In afwachting
steeds
tt
Marc. Emants