terug  begin  verderprepost
[p. 182]

De voorspelers

Het is nu eenmaal een uitgemaakte zaak, dat wedstrijden worden gewonnen - en tenslotte dus kampioenschappen worden behaald - door het maken van doelpunten. In de overgrote meerderheid is het voor de voorspelers weggelegd om daarvoor te zorgen en daarmee is tegelijk hun voornaamste taak geschetst: het vermogen om voor doelpunten te kunnen zorgen.

Overigens kan men alle voorspelers niet over één kam scheren, want al vormen zij dan met hun vijven de aanvalslinie, de taak van de verschillende spelers is nogal uiteenlopend. Ten dele is dat weliswaar ook weer afhankelijk van het systeem, dat men toepast, maar zo heel veel verschil maakt het voor de voorspelers toch feitelijk niet uit of men bv. orthodox speelt of met een stopperspil. Ten hoogste kan bij het ene systeem de W-formatie wat dieper of minder diep, resp. geheel afwezig, zijn dan bij het andere, de binnenspelers hebben over het algemeen toch wel dezelfde taak en datzelfde geldt voor de vleugelspelers en voor de middenvoor. Deze drie categorieën zullen dan ook afzonderlijk worden besproken.

Gewenste eigenschappen

Over de voor een voorspeler gewenste lichamelijke eigenschappen is weinig positiefs te zeggen, want spelers van alle mogelijke lengte en gewicht hebben in deze linie voldaan. Een bijzondere lengte is over het algemeen niet noodzakelijk, maar kan in zeker opzicht gewenst zijn. Spelers als Lagendaal en Bakhuys hebben vaak goed geprofiteerd van hun meer dan middelmatige lengte, die bv. bij koppen heel goed te pas kan komen. Lagendaal zou men haast als te lang voor een voorspeler hebben kunnen aanmerken, maar zijn figuur was stellig imponerend voor de achterhoede van de tegenpartij, die zich niet kon permitteren zulk een speler ongedekt te laten staan en hem in zijn goede tijd desondanks dikwijls toch niet kon uitschakelen.

Voor vleugelspelers komt lengte er nagenoeg niet op aan. Het meest karakteristieke voorbeeld in ons land is natuurlijk dat van Wels, die men op grond van zijn gestalte nimmer een succesvolle voetballoopbaan zou hebben durven voorspellen en die het desondanks tot 36 internationale wedstrijden bracht, hetgeen voor een voorspeler hier te lande een record betekent.

Wat voor lengte geldt, geldt voor stevigheid eveneens. Men kan vooral in het binnentrio en meer in het bijzonder op de middenvoorplaats best een stevig speler gebruiken, maar iemand die al te zwaar is zal toch in de voorhoede meestal moeilijk mee kunnen. Lagendaal kan tot op zekere hoogte als de uitzondering worden beschouwd en dan moet

[p. 183]

nog bedacht worden, dat zijn gewicht hoofdzakelijk in zijn lengte zat. De gedrongen, zwaargebouwde speler is echter in de regel niet de ideale voorspeler.

Snelheid is natuurlijk alleszins gewenst, loopsnelheid vooral voor de vleugels en de middenvoor, die meer dan wie ook de kans krijgen toe te lopen op ballen die in de vrije ruimte zijn geplaatst en die dat slechts kunnen verwezenlijken als zij snel genoeg, althans sneller dan hun tegenstanders zijn. Snel starten, snel lopen met keerpunten en het maken van snelle bewegingen komen de aanvalsspeler eveneens goed te pas.

Lenigheid is een nuttige eigenschap met het oog op de mogelijkheid om de tegenstanders door schijnbewegingen en snelle lichaamswendingen voorbij te komen.

Uithoudingsvermogen komt meer te pas bij de binnenspelers dan bij de andere voorhoedespelers, die toch echter ook in staat moeten zijn een zware wedstrijd, waarin zij veel lopen moeten, tot een goed einde te brengen.

Voor het overige dient men dus over een goede dosis gewenste geestelijke eigenschappen te beschikken en die dienen dan te worden bepaald door de alles overheersende overweging, dat doelpunten maken het voornaamste doel van de voorspelers is, zij het dan mogelijk voor de een meer dan voor de ander. Dat men om doelpunten te maken over een goed, hard en zuiver schot moet beschikken, is zó vanzelfsprekend, dat wij daarover niet verder behoeven uit te weiden. Er zijn inderdaad geniale spelers geweest, die weliswaar zelf geen doelpunten maakten, doch dat door geraffineerd aangeven anderen lieten doen - de Arsenal-speler en Schot Alex James is daarvan het beste voorbeeld -, maar in het algemeen zal elke speler, ook al fungeert hij als teruggetrokken binnenspeler dan wel als ‘zwerver’, goed moeten kunnen schieten.

 

Over de betekenis van de doelpunten dient wat meer te worden gezegd. Men kan met succes de stelling verdedigen, dat het voorkomen van doelpunten precies even belangrijk is als het maken van doelpunten - en het is onze stelling ook -, een feit is, en het behoeft geen nader bewijs, dat men geen wedstrijd wint als men geen doelpunten maakt. Het kan in het kader van een competitie wel eens te pas komen, dat een wedstrijd een puntloos resultaat oplevert, - bv. als het een wedstrijd betreft tegen een club, die sterker geacht wordt -, maar kampioenschappen en promoties zullen slechts worden veroverd door elftallen, die de kunst van doelpunten maken in de perfectie verstaan. Zeker, óók de kunst van doelpunten voorkomen, maar daarover hebben wij het reeds uitvoerig gehad bij onze bespreking van de taak der verdedigende spelers en linies.

[p. 184]

Doelpunten vormen ook de attractie van het publiek. Natuurlijk kan een wedstrijd zonder doelpunten zeer aantrekkelijk en van goed gehalte zijn en zulk een ontmoeting met technisch goed, fijn berekend spel moet stellig hoger worden aangeslagen dan een strijd waarin door tal van verdedigingsfouten een hoge score wordt bereikt. De echte voetballiefhebber, waaronder verstaan moet worden degene die de kwaliteit van het spel naar waarde weet te schatten, zal zeker geen doelpunten-maniak zijn. Dat neemt niet weg, dat ook hij op de duur niet bevredigd zal zijn door een ploeg die geen of niet voldoende doelpunten weet te maken, Zulk een ploeg zal stellig haar aantrekkingskracht op de toeschouwers kwijt raken. Doelpunten vormen de magneet, dat valt niet te ontkennen. Toen bij de oude buitenspelregel indertijd door geraffineerde toepassing van de buitenspeltactiek het aantal doelpunten zienderogen daalde, was dat een zó onrustbarend verschijnsel, mede omdat de belangstelling inderdaad achteruitging, dat juist daardoor de buitenspelregel gewijzigd werd.

Iedere voorspeler moet derhalve van de betekenis van het maken van doelpunten volkomen doordrongen zijn, wat natuurlijk niet zeggen wil, dat men ze per se zelf moet maken. Het gehele spel van de aanvalslinie moet op het scoren gericht zijn en elke voorspeler moet er zelf toe in staat zijn. Hetgeen dikwijls meer een kwestie van geestelijke gesteldheid is dan van techniek.

Om tot het maken van doelpunten in staat te zijn, moet men nl. over zelfvertrouwen en zelfbeheersing beschikken. Eigenschappen, die op alle plaatsen in het elftal te pas komen, maar voor voorspelers van overheersend belang zijn. Kan de achterspeler toch in een benarde situatie volstaan met de bal weg te trappen, zonder dat hij nauwkeurig behoeft te letten op de plaats waar het leder terecht komt, de voorspeler heeft weinig of geen keus: de bal moet precies tussen de twee palen; een ruimte die vrij groot lijkt als men er in staat, maar die schrikbarend klein is voor de speler, die daar de in zijn ogen geweldenaar van een doelverdediger in ziet staan en die bovendien van alle kanten bedreigd wordt door tegenstanders die tot elke prijs het doelpunt willen verhinderen. Onder zulke omstandigheden realiseren hoe men technisch moet handelen ten einde de bal op de juiste wijze te raken, eist niet alleen goede technische capaciteiten, maar vooral kalmte en beheersing. Bovendien moet men snel kunnen beslissen en snel kunnen handelen. Men zal moeten weten of een direct schot toelaatbaar is dan wel of men eerst de bal vrij zal moeten spelen. Men zal in één oogopslag moeten kunnen overzien of wellicht een medespeler in een betere positie staat en als dat zo is, moet op hetzelfde ogenblik de bal voor de voeten van die medespeler worden geplaatst.

Om dat te kunnen verwezenlijken, is een grote dosis wilskracht ver-

[p. 185]

eist. De voorspeler heeft het in het moderne voetbal, bij de steeds meer geperfectionneerde verdedigingstactiek moeilijker dan ooit en hij beseft maar al te zeer dat bijna steeds de achterspeler in het voordeel is. Doch heeft hij zelf door een of andere omstandigheid een klein voordeeltje verworven, dan komt het er op aan dit uit te buiten, hetgeen slechts kan worden bereikt, als men zijn volle wilskracht aanwendt. Een voorspeler moet, in de goede betekenis van het woord, kunnen ‘vechten’ en als zijn pogingen om door te breken tienmaal mislukt zijn, zal hij het de elfde maal weer met dezelfde strijdlust moeten proberen. Ontbreekt deze eigenschap, dan krijgt de achterspeler het al te gemakkelijk en het minste wat men als voorspeler doen kan, is het zijn tegenstander lastig te maken. Dat geldt ook als de bal afgenomen is en de tegenstander er mee vandoor gaat. De voorspeler, die het dan verder wel gelooft en blijft staan kijken, schiet in zijn taak tekort. Hij zal alles in het werk moeten stellen om te pogen de bal te heroveren en zelfs als hij de zekerheid zou hebben, dat dit toch niet gebeuren kan, moet hij zijn tegenstander toch achtervolgen teneinde hem zoveel mogelijk te hinderen. Een voorspeler moet dus ongetwijfeld niet tegen een beetje werk op zien. Dit geldt wel vooral voor de binnenspelers, die nu eenmaal ten dele ook een verdedigende functie hebben - wij komen daarop terug -, maar ook de andere voorspelers moeten begrijpen, dat zij zich niet de weelde kunnen veroorloven anderen het harde werk te laten opknappen. Volhouden, ook bij tegenslag, dat moet het parool zijn voor alle spelers, de voorspelers inbegrepen.

Het snel kunnen overzien van een situatie, wat een voorspeler nog beter moet kunnen verstaan dan welke andere speler ook, eist een scherp opmerkingsvermogen. Men moet alle kleinigheidjes kunnen uitbuiten, men moet vooral ook de kunst verstaan gebruik te maken van fouten in de achterhoede van de tegenpartij.

Het laatste is misschien wel het belangrijkste van alles. De volmaakt spelende achterhoede is niet te passeren en als er nooit fouten in de verdedigingen zouden worden gemaakt, zouden de wedstrijden grotendeels in 0-0 eindigen. Verdedigers maken natuurlijk wel fouten, daar zijn het mensen voor en de voorspelers van de andere partij moeten scherp opletten of zij zo'n fout constateren en dan meteen er bovenop zitten. De bal wordt iets te ver weggespeeld, er is een kleine opstellingsfout, er is een misverstandje, er is een te zachte vuistslag van de doelverdediger, - kortom er kan altijd iets zijn en de voorspeler moet er te allen tijde op rekenen dat hij door zo'n foutje de bal te pakken kan krijgen.

Nu kan men het zich in zeker opzicht gemakkelijker maken als men weet welk spel de tegenpartij speelt en als men de capaciteiten, de goede en vooral ook de slechte, van de tegenstanders kent. Het is bv.

[p. 186]

nuttig om te weten, dat een tegenstander met één been zwak of in het geheel niet trapt, want dan zal een poging om hem aan de zwakke zijde te passeren een behoorlijke kans op succes kunnen hebben. In competitie-verband kent men dikwijls de spelers wel die men tegenover zich krijgt, maar dat kan veranderen en daarom is het nuttig zich daarvan te vergewissen of dat te laten doen door een spelkenner, wiens rapport over het spel van de a.s. tegenpartij tot waardevolle wenken kan leiden. Dat dit vooral voor de ploegtechniek geldt is duidelijk. Kent men de tactiek, het systeem, van de tegenstanders - en dat is tegenwoordig gewoonlijk het geval -, dan kan men plannen beramen voor de te volgen tactiek, in het kader uiteraard van het systeem dat men zelf gewend is te spelen. Doch deze overwegingen gelden uiteraard ook de individuele handelingen en capaciteiten van de tegenstanders.

Men moet dus voorbereid in het veld komen, maar dat neemt niet weg, dat de wedstrijd zelf ook bijzondere gegevens kan opleveren. De tactiek kan anders zijn dan men gedacht had - ook de tegenpartij is tactisch gewapend door het nemen van bepaalde maatregelen -, de opstelling kan gewijzigd zijn, er kunnen spelers zijn opgenomen die men... niet kent. De goed en snel opmerkende speler heeft gauw genoeg in de gaten wat voor vlees hij in de kuip heeft en hij zal snel zijn maatregelen kunnen nemen. De aanvoerder heeft daarbij wel een grote taak, maar de speler zelf moet toch ook eigen initiatief kunnen ontwikkelen en vooral voor de voorspeler is dat een eerste vereiste.

Het was hierop dat wij doelden, toen wij de opmerking maakten, dat de voorspeler een actieve aard moet hebben, de achterspeler daarentegen een passieve aard. Kan laatstgenoemde de kat uit de boom kijken, een afwachtende houding aannemen, de voorspeler moet handelen en snel handelen. Slechts hij die daartoe in staat is, zal een voorspeler van klasse kunnen worden.

Er zijn verschillende voorbeelden te geven van de wijze waarop een voorspeler gebruik kan maken van fouten of eigenaardigheden van de tegenstanders. Neem het geval van een vleugelspeler, die niet weet of zijn tegenstander even snel is als hijzelf. Hij zal het op een hardloop-wedstrijdje moeten laten aankomen in de aanvang van de wedstrijd. Merkt hij bij een eerste contact, dat de tegenstander ten minste even hard loopt, dan zal hij het met een ren niet mogen riskeren, maar dan moet hij anders te werk gaan, bv. door de bal sneller af te geven of zijn tegenstander met schijnbewegingen pogen te passeren. Is men wel sneller, dan kan men dikwijls al succes hebben door de bal een trapje naar voren te geven en er dan, langs zijn tegenstander heen, achteraan te lopen.

Hij moet ook letten op de opstelling van de achterhoede der tegen-

[p. 187]

partij en hij moet zien te profiteren van fouten in de opstelling. Staan bv. de beide achterspelers op één lijn, dan weet de middenvoor, dat er een opening is waarin hij met succes kan ‘kruipen’ om meteen de weg naar doel vrij te hebben.

Dat bij dit alles de speler volledig geconcentreerd moet zijn op het spel, ligt voor de hand. Volledig meeleven is vereist, want dat alleen stelt hem in staat steeds de juiste positie in te nemen en eventueel van fouten van de tegenstanders gebruik te maken. Bekend is het voorbeeld van de speler, die een schot lost, dat door de doelman gehouden wordt. Gewoonlijk staat men dan rustig toe te zien hoe de bal wordt weggewerkt, doch de plicht van de voorspeler is toe te lopen, want àls de doelverdediger de bal eens los laat, wat na een hard schot zeer wel gebeuren kan, zal de aanvaller die ‘er als de kippen bij is’, een goede kans op een doelpunt kunnen krijgen.

 

Een voorspeler moet voorts gespeend zijn van egoïsme; onbaatzuchtigheid is dus een eigenschap, die voor hem als zeer gewenst moet worden aangemerkt. Hij moet er dus niet op uit zijn zelf de doelpunten te maken, alleen om daarmee zijn persoonlijke eerzucht bot te vieren, doch hij moet zich ondergeschikt maken aan het geheel, aan de ploeg. Staat hij in een moeilijke positie om een schot te lossen, dan moet hij dat niet proberen in de hoop, dat het geluk hem dienstig zal zijn, doch dan moet hij de bal doorgeven aan de medespeler, die er beter voor staat. Hij zal moeten bedenken, dat de doelpunten niet op naam komen van de speler, die ze scoort, maar van het elftal waarvan hij deel uit maakt.

Egoïsme treft men soms aan bij de goede speler, die te veel wil doen, de handige voetballer, die in staat is vlot zijn tegenstanders te passeren en die dat dan gaat overdrijven. Er is een uitdrukking die zegt: ‘Drijven is goed, maar overdrijven is verkeerd’, waarmee bedoeld wordt, dat men zich als voetballer wel de kunst van drijven met de bal moet eigen maken, maar dat het verkeerd is dat te lang te doen. Deze overdrijving wordt populair uitgedrukt door de benaming ‘pingelen’ en in bijna alle clubs komt zo'n pingelaar voor, een speler dus, die doorgaans inderdaad tot de technische uitblinkers behoort, maar die in tactisch en mentaal opzicht tekort schiet, omdat hij niet onbaatzuchtig weet te handelen. Zulk een speler zal moeten begrijpen, dat het opbrengen van de bal in de richting van het doel van de tegenpartij een zeer nuttige daad is en dat het van zelfverloochening getuigt de bal alsdan te juister tijd af te geven aan een clubgenoot, die de kroon op het werk kan zetten door de bal in het doel te schieten. Een dergelijke gang van zaken zal vrij dikwijls kunnen en dus moeten voorkomen. De speler toch die de bal heeft opgebracht, heeft zich daarmee niet alleen vermoeid, maar bovendien heeft hij zijn tegen-

[p. 188]

standers op zijn spel geconcentreerd, zodat het zeer wel mogelijk is, dat inmiddels een clubgenoot een vrije positie heeft ingenomen. Deze heeft geen vermoeiende ren behoeven te ondernemen, is dus frisser en beter in staat het beslissende trapje te geven. Hij moge dan de eer hebben dat hij de maker van het doelpunt is, zijn naam moge in alle kranten vermeld worden, de medespeler mag de grote voldoening in zich omdragen, dat hij het doelpunt heeft voorbereid en dat hij eigenlijk de eer daarvan geheel voor zich mag opeisen. Men kan zich bv. het geval indenken, dat een speler tot nabij het doel doordringt, de doelverdediger tot uitlopen dwingt en dan, inplaats van een schot te lossen dat allerlei risico's in zich bergt, de bal toespeelt aan een medespeler, die mee opgelopen is en nu zodanig voor het lege doel staat opgesteld, dat hij de kans, menselijkerwijs gesproken, niet meer missen kan. Nu kan de speler, die de bal heeft, wel willen pogen de doelverdediger te omspelen en aldus zelf voor het lege doel te komen, maar ook daar zit risico aan vast en het afgeven van de bal geeft in elk geval een veel groter kans op een doelpunt. Dat moet dus de drijfveer zijn: de kans op een doelpunt moet zo groot mogelijk worden gemaakt, ook al zou dat gaan ten koste van een eigen doelpuntenrecord.

Nu moet men een dergelijke onbaatzuchtigheid natuurlijk niet te ver doorvoeren. Afgeven van de bal kan wel eens het gevolg zijn van gebrek aan zelfvertrouwen en van het afschuiven van de verantwoordelijkheid. Dat is ook de bedoeling niet. Ziet een speler kans door zelfbewust optreden en dank zij zijn techniek een tegenstander te passeren en daardoor meteen voor het doel te komen, dan is het niet noodzakelijk de bal af te geven aan een speler, die waarschijnlijk ook nog alle mogelijke moeite moet doen om een scoringskans te verkrijgen. Durf en stoutmoedigheid zijn almede kostelijke eigenschappen op het voetbalveld en die moet men niet onderdrukken uit overdreven onbaatzuchtigheid, die dikwijls een mom kan zijn voor eigen tekortkomingen.

Medespelers moeten dat ook aan de speler die de bal heeft overlaten. Er zijn spelers - en in de regel zijn dat de uitblinkers of die zichzelf als zodanig beschouwen -, die er een gewoonte van maken degene die de bal heeft toe te roepen, of desnoods te schreeuwen, dat hij de bal moet afgeven. Dat is fnuikend voor diens zelfvertrouwen en dat kan menigeen in zijn opkomst remmen. Hij durft zelf op het laatst geen risico meer nemen, zal ten slotte nimmer eens proberen een tegenstander te passeren en altijd direct de bal maar gauw afgeven. Dan houden de schreeuwers tenminste hun mond en hij is van de verantwoordelijkheid af. Gaat hij toch eens bij uitzondering zijn eigen gang en raakt hij de bal dan kwijt, dan menen de medespelers eerst recht reden te hebben hem het nodige toe te voegen, waardoor hij

[p. 189]

het beetje zelfvertrouwen, dat hij mocht hebben, ook nog kwijt raakt. Onbaatzuchtigheid moet dus niet alleen gelden voor de man die de bal heeft, maar ook voor de andere spelers, want feitelijk is het niets dan egoïsme, dat hen doet vragen de bal af te geven. Zij moeten ook de, naar zij menen, zwakkere medespeler de kans laten er iets van te maken en hem juist door een aanmoedigend woord steunen.

De tactische taak van de voorspelers

Wij hebben er reeds bij herhaling op gewezen, dat het voetbalspel veranderd is in de loop der jaren en dat gewijzigde spelregels, nieuwe ideeën en andere opvattingen ten aanzien van de verdedigingstactiek speciaal het voorhoedespel hebben beïnvloed.

Het is onderwerp voor een overigens slechts theoretisch debat of het aanvalsspel verbeterd is. Menigeen is van oordeel, dat er vroeger betere voorspelers waren dan tegenwoordig en voor deze mening is wat te zeggen, hetgeen niet betekent, dat het spel in zijn geheel achteruitgegaan zou zijn. Vroeger kreeg de individuële speler meer kans om uit te blinken dan tegenwoordig, nu hij zijn kracht in samenspel en, in bredere zin, in ploegtactiek moet zoeken.

Namen van sterren uit het min of meer grijze verleden hebben mede daardoor nog altijd een goede klank. Oudere voetballiefhebbers weten te vertellen, dat in de periode vóór de officiële landenwedstrijden werden gehouden, spelers als Dr. Hesselink en Jan van den Berg, de latere Stadion-directeur, over meer dan normale capaciteiten beschikten, waarbij zij vooral opvielen door hun schotvaardigheid en in het algemeen door de productiviteit van hun spel. Later kwamen anderen, zoals Jan Thomee, Mannus Francken, Dé Kessler, Jan Vos, Snethlage, Welcker, ‘Huug’ de Groot, Ruffelse, Lutjens en Buitenweg, wier namen nog steeds in veler herinnering voortleven als voortreffelijke voorspelers.

Weliswaar zal niemand kunnen ontkennen dat ook spelers als De Natris, Tap, Lagendaal, Adam, Bakhuys, Smit, Wels, Vente en Van Nellen in later jaren bijzondere verrichtingen hebben geleverd, maar velen zijn toch geneigd de prestaties van de oudere generatie hoger aan te slaan, misschien nog niet zozeer in vergelijking met de enkelen die wij zo juist noemden, maar wel als het gemiddelde van de latere internationals als maatstaf zou worden genomen.

Discussies daarover zijn onvruchtbaar. Het voetbal is anders geworden en daarmee zijn de eisen, die men aan de spelers en vooral wel aan de voorspelers moet stellen, gewijzigd. Het eigenaardige is wel, dat de vroegere voorspelers het bij de moeilijker buitenspelregel van die dagen - zij stonden nl. gemakkelijker buitenspel - feitelijk lastiger gehad zouden moeten hebben dan de tegenwoordige, doch dat is

[p. 190]

slechts ten dele juist. De verschillende later ontstane systemen hebben de tactiek van de verdedigingen zo krachtig opgevoerd, dat de voorspelers het veelal juist niet gemakkelijker hebben gekregen. Een middenvoor heeft het tegen een stopper nu toch feitelijk heel wat lastiger dan tegen de buitenspelregel vroeger.

Van één ding kunnen wij verzekerd zijn, nl. dat de genoemde, werkelijk zeer kundige voorspelers het met hun vroeger vertoonde speelwijze in het moderne voetbal niet ver zouden brengen; het vroeger veel toegejuichte en toen ook nuttige solospel zou nu veelal tot mislukking zijn gedoemd. Aan de andere kant mag gerust worden vastgesteld, dat al die vroegere sterren heus wel de capaciteiten zouden hebben gehad om zich ook aan het moderne voetbal aan te passen, want aan voetbalintelligentie ontbrak het hun stellig niet.

Het feit, dat het individu ondergeschikt gemaakt is aan het geheel, bepaalt de taak van de voorspelers, wier spel er op gericht moet zijn om in onderlinge samenwerking zo snel mogelijk tot het doel van de tegenpartij door te dringen en die daarmee slechts succes kunnen hebben als de meeste, zo niet alle voorspelers voor de juiste afwerking kunnen zorgen. Het is verkeerd dat te laten afhangen van één of twee spelers, zelfs is het niet voldoende, dat uitsluitend de middenvoor en de beide vleugels doelpunten voor hun rekening kunnen nemen, want de verdedigingstactiek van de tegenpartij zou zulks aan bedoeld drietal kunnen beletten. Eén van de twee binnenspelers dient dus ook een productief speler te zijn, de andere mag dan desnoods volstaan met het spel op te bouwen. De beroemde voorhoede van Arsenal in zijn glorieperiode was daarvan het beste voorbeeld, want Hulme, Jack, Lambert (later Drake) en Bastin konden stuk voor stuk doelpunten voor hun rekening nemen; James was achter dit viertal de spelopbouwer of ‘schemer’. Zulk een voorhoede zal het doelpunten maken niet belet kunnen worden, doch als er bv. maar één speler is die in de regel voor de doelpunten zorgt, dan zal die vrij eenvoudig kunnen worden uitgeschakeld.

Ten einde tot doelpunten te kunnen komen, moet de voorhoede logischerwijze aanvallen. Zonder de bekende stelling ‘Aanvallen is de beste wijze van verdedigen’ klakkeloos te willen onderschrijven, ligt wel voor de hand dat men met louter verdedigen niet tot doelpunten komt. Weliswaar kunnen uit een verdedigende positie aanvallen worden opgebouwd, die tot succes kunnen leiden, maar per slot van rekening zullen die aanvallen het moeten doen; het aantal keren, dat een toevallig schot van het middenveld doel treft, kan als verwaarloosbaar klein worden beschouwd.

Nu moet men met de wijze waarop de aanvallen worden opgezet, uiterst voorzichtig zijn. Men kan met de gehele ploeg ‘in de aanval’ gaan, een algemeen offensief ontketenen, en dat kan wel eens resul-

[p. 191]

taten opleveren. Vaker echter zal men zien, dat bij een dergelijke grote meerderheid een opeenhoping van spelers op een tamelijk klein gebied ontstaat, waardoor de kans op een raak schot veelal niet groot is.

Men zal bij de aanvallen ruimte moeten houden! De spelers moeten zoveel mogelijk over het gehele veld verdeeld zijn en zoals wij bij de bespreking van de andere linies al verteld hebben, moet het inderdaad gewenste aansluiten van de linies nimmer leiden tot insluiten van de tegenpartij.

Daarbij zal vooral ook moeten worden bedacht, dat er elftallen zijn, die er een tactiek van maken, de tegenpartij ‘te laten komen’ en die dan, dank zij de aanwezigheid van een paar snelle, productieve voorspelers, daarvan profiteren door gevaarlijke uitvallen te ondernemen. Die kans mag men een tegenpartij nimmer geven en zulk een algemeen opdringen is dan ook alleen gerechtvaardigd, als men bij een zekere achterstand niets meer te verliezen heeft en dan in een uiterste poging het spel gaat forceren. Uit tactisch oogpunt is dat in het algemeen echter fout te achten.

Uit het voorgaande volgt dus, dat men de aanvallen snel en overrompelend moet ondernemen en dat daarbij de bal dus steeds, als het enigszins mogelijk is, naar voren moet worden gespeeld in de richting van het doel van de tegenpartij. En dan liefst zo, dat hij geplaatst wordt in de vrije ruimte voor de medespelers.

Welke grondbeginselen gevolgd moeten worden bij het opzetten van de aanvallen, is in het hoofdstuk ‘Tactiek’ al vermeld. Wij herinneren er slechts aan, dat aanvallen mogelijk zijn door heen-en-weerspelen van de bal (zigzagspel), door driehoekspel, door doorpasseren, door de ‘switch’ en door afwisseling van kort en lang spel. Als algemeen principe bij het ontplooien van een aanval dient de opstelling wel zo te zijn, dat voorspelers, die de bal niet hebben, zich dichter bij het doel van de tegenpartij bevinden dan de bezitter van de bal. Daarvan wordt natuurlijk wel afgeweken als bv. in W-formatie of met een teruggetrokken binnenspeler wordt gespeeld dan wel in een andere, van de rechte lijn afwijkende formatie, maar deze waarheid kan men dan terug brengen tot de spelers die in het voorste gelid zijn overgebleven. Heeft bv. de midvoor de bal, dan moeten de vleugelspelers er naar streven voor de bezitter van de bal uit te komen. Immers alleen dan kan de aanval zich inderdaad snel in de richting van het doel ontwikkelen. Overigens lette men daarbij op buitenspel!

 

De snelheid van de aanval, althans het tempo, kan aanzienlijk worden bevorderd door snel afspelen van de bal. De stelling ‘de bal moet het werk doen’, geldt voor de voorhoede wel in de eerste plaats. Getreuzel is dus volkomen uit den boze. De vleugelspeler, die te lang

[p. 192]

langs de lijn rent, maakt net zo goed een fout als de handige binnenspeler, die met drijven alleen succes wil bereiken. De aanval is dan pas goed en gevaarlijk als de bal van voet tot voet gaat en als het stoppen en trappen van de bal als het ware één beweging is geworden. Nu is dat laatste vaak gemakkelijker gezegd dan gedaan. Voor zuiver samenspel toch is noodzakelijk, dat degene die de bal heeft, het leder kan toespelen aan een vrij staande medespeler. Positiespel is derhalve geboden, opletten van begin tot eind hoe men een plaats kan innemen, waar men eventueel de bal kan ontvangen.

Nu bestaat natuurlijk de kans, dat dit op een gegeven ogenblik niet het geval is. De tegenpartij slaapt ook niet en zal door dekken pogen te voorkomen, dat de tegenstanders zich vrij opstellen. In dat geval mag de voorspeler geen trap in het wilde weg geven, doch dan zal het goed zijn als hij de kunst van drijven verstaat. Iedere voorspeler, op welke plaats ook staand, moet dat kunnen, in de eerste plaats om eventueel daardoor zelf een doelpunt te kunnen maken, in de tweede plaats om de bal in zijn bezit te kunnen houden tot een medespeler in vrije positie gekomen is. Bij het drijven dient echter de oude waarheid in het oog te worden gehouden, dat het altijd in de richting van het doel van de tegenpartij moet gebeuren.

De stijl van de voorhoede

Er zijn dus, zoals reeds gezegd, verschillende methoden om aanvallen op te zetten.

Welke methoden moet men toepassen, welke stijl dient een voorhoede te bezitten?

Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Stijl immers is afhankelijk van allerlei omstandigheden. Men kan wel het ook naar onze mening juiste standpunt innemen, dat de wijze waarop het voetbalspel in het algemeen gespeeld wordt, afhankelijk is van de volksaard. Er zou dus een Nederlandse speelstijl moeten zijn en tot op zekere hoogte is dat inderdaad het geval, zoals wij in het hoofdstuk ‘Spelsystemen’ nader uiteen zullen zetten. Maar toch zijn er grote verschillen, die men enigszins kan terugbrengen tot de delen van het land waartoe de clubs behoren. In het Westen van ons land is de stijl bepaald anders dan in het Zuiden en ook ten opzichte van het Noorden en Oosten zijn kenmerkende verschilpunten aanwezig. Verschillen, die waarlijk niet alleen moeten worden toegeschreven aan min of meer aanwezig technisch meesterschap, al is het een feit, dat dit inderdaad nog altijd ten gunste van het Westen bestaande verschil zijn stempel drukt op de wijze van spelen.

Feit is echter ook, dat clubs in één district, in één stad zelfs, er totaal verschillende manieren van spelen op na houden. Ajax speelt anders

[p. 193]

dan Blauw-Wit en dat is niet iets van de laatste jaren, doch dat is altijd zo geweest. Feyenoord speelt anders dan Sparta, H.B.S. speelt anders dan H.V.V. en weer anders dan Quick. Be Quick speelt anders dan Velocitas, Quick (N.) anders dan N.E.C., enz. En nu is het een stellig merkwaardig verschijnsel, dat een club door de jaren heen vaak haar eigen stijl bewaart, dat bv. Ajax de Ajax-stijl blijft vertonen, ook al was het spel vaak minder goed en imponerend dan in de eerste glorietijd van de Amsterdamse club.

Men kan dit goeddeels verklaren door de omstandigheid, dat de stijl door de ene generatie op de andere wordt overgebracht en dat speciaal de invloed van bekwame trainers een schier onuitwisbaar stempel op een vereniging drukt, - denk aan Ajax en Jack Reynolds.

Intussen moet niet uit het oog worden verloren, dat de stijl ook wel afhangt van de persoonlijke capaciteiten en opvattingen van de spelers. De ene speler neigt naar het artistieke, het kunstige, hij zal zijn heil dus allicht zoeken in technisch goed spel, in handige manoeuvres en zijn zijn medespelers van dezelfde aard, dan krijgt men allicht kort samenspel te aanschouwen. Anderen voelen meer voor de directe methode: recht op het doel af, rondborstig, stevig, eenvoudig, ten dele door tekort aan technische capaciteiten, maar stellig ook voortvloeiend uit een zekere aanleg, die de spelers ongeschikt maakt voor artistieke spel-finesses. Men kan zeggen, dat de Nederlandse aard het meest naar laatstgenoemde categorie neigt, zoals bv. de Midden-Europese voetballers over het algemeen tot de eerste categorie behoren, doch in elk land heeft men kenmerkende afwijkingen van wat als de heersende stijl mag worden beschouwd.

Stijl komt vooral in het voorhoedespel tot uiting. En nu dient het hierbij zo te zijn, dat een voorhoede inderdaad moet proberen zich een zekere stijl eigen te maken, dat is te zeggen, dat de spelers de stijl, die zij bezitten, persoonlijk en in combinatie, tot verdere ontwikkeling moeten zien te brengen. Hoe die stijl ook is, zulk een handelwijze zal er toe bijdragen, dat het spel geen simplistisch karakter draagt, zoals bv. het ‘kick and rush’ was en soms nog wel is.

Maar men houde zich dan aan de eigen stijl. Een voorhoede van De Volewijckers moet niet proberen het Ajax-spel te imiteren, Sportclub Enschede moet niet trachten dezelfde speelwijze toe te passen als Quick (Nijmegen) en zo zou men tientallen voorbeelden kunnen aangeven.

Zo zal dus een voorhoede, geheel of grotendeels bestaande uit technisch goede, maar niet al te zwaar gebouwde spelers, haar heil moeten zoeken in geraffineerd uitgevoerde combinaties, afgewisseld met persoonlijke handigheidjes. Bestaat een voorhoede echter uit snelle spelers met een goed schot, dan kan open spel als het enig juiste parool worden aangemerkt.

[p. 194]

En nu kan men de technische goede voorspelers wel op het hart drukken, dat ook zij snelheid en vooral tempo in hun spel moeten brengen en men kan de voorspelers van het open-spel-type wel een zo hoog mogelijke techniek pogen bij te brengen, zodat beide soorten voorhoeden een betere prestatie zullen kunnen bereiken, men zal toch moeten voortbouwen op het aanwezige speltype.

Speciaal oefenmeesters hebben in deze een belangrijke taak. Zij moeten zelf nimmer verknocht zijn aan een bepaalde stijl, doch zij moeten rekening houden met de stijl, die de onder hun hoede staande clubs, door welke omstandigheden ook, toepassen en zij moeten bereid en in staat zijn die stijl te cultiveren. Het is soms de fout geweest van buitenlandse oefenmeesters, dat zij dit niet inzagen. Er zijn wel trainers in ons land geweest, die zich beijverd hebben onze voetballers het Centraal-Europese spel bij te brengen, hetgeen altijd mislukt is. Engelsen hadden het in dit opzicht wel wat gemakkelijker omdat onze stijl niet zoveel van de Engelse afwijkt. Zonder de betekenis en de bekwaamheden van buitenlandse trainers ook maar in het minst in twijfel te willen trekken - wij menen integendeel, dat hun hulp hier te lande vooralsnog onmisbaar is -, menen wij toch, dat juist de in het voorgaande gevolgde redenering een bewijs kan zijn, dat de Nederlandse oefenmeester op den duur de Nederlandse voetballers het best zal kunnen trainen. Daar de opleiding van oefenmeesters echter betrekkelijk nog maar kort duurt en voor de ontwikkeling van dit proces zeker lange tijd nodig is, zal het nog wel jaren duren voor men zich de weelde kan veroorloven de opleiding en voorbereiding van voetballers in Nederland uitsluitend aan landgenoten over te laten.

De oefenmeester moet niet enkel rekening houden met de stijl van een geheel elftal, maar ook met die van de spelers individueel. Men moet nimmer een speler een stijl willen opdringen, die hem niet ligt, ieder moet zoveel mogelijk zijn eigen spel spelen. Er kunnen natuurlijk wel zekere opofferingen worden verlangd ten bate van het geheel en stellig moeten bepaalde tactische fouten worden afgeleerd (wat overigens dikwijls heel wat tijd vergt), maar in het algemeen moer men iemand nemen met zijn goede èn slechte eigenschappen en men moet de goede zoveel mogelijk ontwikkelen. De technisch handige, individualistisch aangelegde speler zal gerust nu en dan persoonlijke pogingen mogen doen, mits hij zorgt dat hij niet door egoïstische motieven geleid wordt. De speler, die bij voorkeur ferme trappen geeft en van zijn snelheid gebruik wil maken, moet men zeker niet dwingen kort spel te spelen. Techniek en tactiek kan men opvoeren evenals de lichamelijke conditie, maar de aard van de speler verandert men niet en wil men dat wel doen, dan zal men daar falikante resultaten mee bereiken.

[p. 195]

De opstelling van de voorhoede

Kortheidshalve hadden wij ten aanzien van dit onderwerp kunnen verwijzen naar het hoofdstuk ‘Spelsystemen’, doch ook hier ter plaatse mogen enkele notities niet achterwege blijven.

Vroeger gold het als een uitgemaakte zaak, dat de vijf voorspelers op één lijn moesten opereren, waarmee bedoeld wordt dat geen enkele voorspeler in het kader van een zekere opdracht achter blijft. En nu was het wel van oudsher al de gewoonte, dat de binnenspelers de bal moesten ophalen als de eigen partij in de verdediging was, doch zij hadden dan toch immer de taak zo snel mogelijk naar voren te gaan als men in de aanval kwam.

Dat laatste is eigenlijk door alle tijden heen het geval gebleven, dus ook bij het spelen in de zg. W-formatie, de opstelling die meer becritiseerd is dan welke andere ter wereld ook en die desondanks langzamerhand een zo algemene toepassing heeft gevonden, dat het spelen ‘in lijn’ eigenlijk beperkt is gebleven tot een overigens steeds kleiner wordend aantal landen.

Er zijn, hoe men het ook bekijkt, omstandigheden te over waarin men eenvoudigweg niet buiten de W-formatie, de opstelling dus met twee teruggetrokken binnenspelers, kan. Denk aan doelschoppen, inworpen, hoekschoppen en vrije schoppen, denk voorts aan de aanwezigheid van een sterke tegenpartij, wier vrij ver opdringende vleugelhalfs de binnenspelers noodzaken alle aandacht aan hen te besteden. Dat drukt zijn stempel op het optreden van de binnenspelers, van wie inderdaad veel verlangd moet worden in het moderne voetbal. En nu kan men wel theoretisch verlangen, dat de binnenspeler zodra hij de bal naar voren heeft gewerkt, meteen ook zelf in het voorste gelid plaats neemt, men voelt wel, dat dit lang niet altijd mogelijk is en dat aldus de voorhoede gedwongen is met drie of vier man de aanval verder af te werken. Men kan het jammer vinden, dat op beslissende momenten alsdan de vijfde voorspeler niet bij doel aanwezig is, doch men zal moeten inzien, dat de loop van het spel dat nu eenmaal met zich heeft meegebracht, omdat de achtergebleven binnenspeler zich op een andere plaats, in een andere positie dan die van aanvallend voorspeler, nuttig heeft gemaakt. Zulk een binnenspeler moet immers voortdurend heen en weer lopen; is de aanval afgeslagen, dan moet hij terugtrekken, wordt een nieuwe aanval opgebouwd, dan moet hij weer mee, enz.

De opstelling is ten dele afhankelijk van de spelopvatting van de rest van de ploeg, meer in het bijzonder van de middenlinie, die immers een half-aanvallende linie behoort te zijn. Gaat er van die linie of, spelende met een stopper, van de twee vleugelhalfs veel stuwkracht uit, dan kunnen de binnenspelers zich veroorloven dichter bij de

[p. 196]

voorste linie te vertoeven dan ingeval de middenlinie in hoofdzaak verdedigend speelt. De vijf voorspelers kunnen dan in samenwerking met bv. de twee vleugelhalfs een prachtig samenspel ontwikkelen, ontstaan uit goed plaatsen en vooral goed onderling begrip. Het is heel moeilijk daarvoor altijd de juiste richtlijnen aan te geven, want vaak is het een kwestie van gevoel, van anticipatie-vermogen. Men moet als het ware bij intuïtie kunnen aanvoelen waar de bal terecht zal komen, die in het volgende ogenblik door een medespeler zal worden afgegeven. Hiervoor kan een zekere aanleg aanwezig zijn, maar voorts zal het spelen van veel wedstrijden de routine bezorgen, die het daarvoor vereiste gevoel bevordert.

Het spel van de tegenpartij

Voor voorspelers in het bijzonder is het van belang, dat zij op de hoogte zijn van het spel der tegenpartij. Het is één van de essentiële bestanddelen van het moderne voetbal om daarmee rekening te houden en zijn tactiek daarnaar te richten. Dit geldt zowel voor spelsystemen als voor individuële verrichtingen.

Men kan bv. het geval hebben, dat de rechtsachter van de tegenpartij niet bijster snel is of dat de linksachter nogal eens mistrapt of de bal half raakt. De doelvedediger kan zwak zijn op lage ballen - de meeste hebben ze niet graag! -, de spil kan achter zijn voorhoede aan zitten, waardoor de eigen middenvoor nogal eens vrijheid van beweging zal hebben, de vleugelhalfs kunnen de neiging hebben om het spel in de breedte te spelen, enz. enz.

Het is heel nuttig zulke dingen tevoren te weten, maar als het niet zo is, kan men ze tijdens de wedstrijd te weten komen en dan is het zaak om ze zo snel mogelijk te weten te komen.

Dus: letten op alle handelingen, goede en verkeerde, van de tegenstanders. Opletten of ze bv. eenzijdig links of rechts trappen, of ze het meer van snelheid dan van techniek moeten hebben. De snelle vleugelspeler kan onmiddellijk profiteren van het feit dat zijn tegenstander langzaam is en ook zijn medespelers moeten er gebruik van maken door hem te laten lopen op vrije ballen, die zij voor hem klaar maken. De speler die nogal eens mist, moet nooit vrijheid van beweging hebben; men moet ‘er bovenop’ zitten om nog eerder gedaan te krijgen dat hij niet goed raak trapt en men moet dat zelfs doen als er geen schijn van kans aanwezig lijkt om de bal te bemachtigen. Is er een aanvallende spil, dan kunnen de aanvallen gerust door het midden worden opgezet, want daar is in elk geval geen sterke dekking aanwezig (tenzij een van de backs als ‘stopper’ optreedt, in welk geval weer een andere methode moet worden gezocht).

Het komt er dus op neer, dat men moet spelen op de zwakke plekken

[p. 197]

van de tegenpartij en dat men die zwakke plekken als het ware murw moet beuken.

Humeur en temperament

Indien er één linie is waarin humeur en temperament invloed kunnen uitoefenen op de verrichtingen, dan is dat stellig de voorhoede.

Op elke plaats van het veld kan een speler de kans lopen op een botsing met een tegenstander, maar een voorspeler loopt in dit opzicht heel wat meer risico dan de andere spelers. Het kunnen harde botsingen zijn, die hij aldus moet meemaken, botsingen die tot verwondingen kunnen leiden met alle onpleizierige gevolgen daarvan: pijn, op halve kracht of in het geheel niet meer verder spelen, enz.

In zulke gevallen wordt veel van het humeur van de betrokken spelers verlangd en vooral is dat het geval als men stevige verdedigers tegenover zich heeft, die er wellicht min of meer op uit zijn een gevaarlijke tegenstander uit zijn spel te halen door hem stevig op de huid te zitten.

Het is geheel afhankelijk van het karakter van de betrokken spelers hoe ze daarop reageren. Temperamentvolle voorhoedespelers zullen juist een prikkel in de goede richting krijgen als hun tegenstanders het hun lastig maken. Er zijn zelfs voetballers, die zoiets nodig hebben om in de juiste stemming te komen. Ze zullen dan wel eens wraak nemen! En als ze dat inderdaad op de juiste sportieve wijze doen, heeft hun elftal er slechts baat bij. Het door de botsing of aanval opgewekte slechte humeur heeft dan juist een gunstige uitwerking op het temperament.

Het kan echter ook anders zijn en vermoedelijk is dat wel vaker het geval! Onsportieve tegenstanders kunnen daarvan helaas misbruik maken; zij weten dat één ferme aanval - die nog geen blessure behoeft op te leveren - oorzaak kan zijn, dat de betrokken voorspeler geïntimideerd is en verder weinig presteren zal. Zulk verdedigingsspel mag natuurlijk niet worden aangemoedigd, maar .... het komt voor. Bovendien zijn er spelers genoeg, die er niet eens tegen kunnen - mentaal gesproken dan -, dat zij voortdurend gedekt of geschaduwd worden.

Er zijn wel spelers geweest, wier internationale voetballoopbaan niet gunstig beïnvloed is door het feit, dat zij te vaak een slecht humeur hadden. Het is niet nodig namen te noemen, ingewijden begrijpen direct wie wij bedoelen. Men moet daarbij bedenken, dat zulke spelers daar gewoonlijk weinig aan doen kunnen. Het is hun aard, hun karakter, nu eenmaal.

Dat neemt niet weg, dat speciaal jonge voetballers ook in dit opzicht wel enigszins gevormd kunnen worden. Met jonge krachten, die de

[p. 198]

neiging hebben al te gauw hun goede humeur te verliezen, moet ernstig gepraat worden en door zelf-training, vooral door een goed geleide mental-training te stimuleren, kan de zelfbeheersing allicht worden aangekweekt, die de speler op de duur zal beletten toe te geven aan zijn boze luimen, die hemzelf en.... zijn medespelers schade en displeizier bezorgen.

Wij geven direct toe, dat zulks niet meevalt als men tegen een onprettig tegenstander uitkomt en als men allerlei duwen en stoten moet incasseren of onaangename opmerkingen moet aanhoren. Eventueel kan hij, als het te bar wordt, zijn aanvoerder of de scheidsrechter er bij halen en overigens moet hij het speciaal aan laatstgenoemde overlaten om te zorgen dat unfaire handelingen worden beteugeld. Eigen rechter spelen mag natuurlijk nimmer voorkomen. Het is oppervlakkig beschouwd erg dapper om ‘van repliek te dienen’ als een tegenstander ruw optreedt, maar als dat laatste overdreven wordt, is het beter te pogen botsingen te vermijden. Een speler mag natuurlijk niet bang zijn, maar enige voorzichtigheid kan onder zekere omstandigheden op zijn plaats zijn en wij kunnen ons best voorstellen, dat een lichtgebouwd voorspeler ingeval een tegenstander op hem afstormt, liever ‘een straatje om gaat’ dan een botsing te riskeren, die waarschijnlijk slecht voor hem afloopt.

Intussen dienen de voorspelers, en vooral dan weer de jongeren, gewaarschuwd te worden voor het gevaar dat schuilt in de pratende, om niet te zeggen kletsende tegenstander. Er zijn inderdaad van die spelers, die overal wat op aan te merken hebben, - een zeer onaangename gewoonte, die er toe leiden kan dat de voorspeler geheel uit zijn evenwicht wordt gebracht en dingen gaat doen, waar hij later spijt van krijgt. Dit praten kan tot bedoeling en in elk geval tot gevolg hebben, dat men zijn aandacht, zijn concentratie, kwijt raakt, nog afgezien van de onaangename woordenwisselingen, die het gevolg kunnen zijn als.... men er op in gaat.

Dat laatste moet nu juist niet gebeuren. Geef de pratende tegenstander geen kans zijn zin te krijgen, laat hem rustig praten en reageer er niet op, - wordt het al te bont en wordt het gesprokene bv. beledigend, dan kan de scheidsrechter immers ingrijpen. Dit negeren kan het spel van de tegenstander ongunstig beïnvloeden, vooral als hij tot degenen behoort, die met een slecht humeur zijn behept. Het spreekwoord ‘spreken is zilver en zwijgen is goud’ geldt op het voetbalveld evenzeer als in het gehele leven.

De buitenspelregel

Tot de vijanden waarmee de voorspeler te maken heeft, behoort ook de buitenspelregel. Een regel, die gewoonlijk de verdedigende partij alle voordelen en de aanvallende alle nadelen geeft.

[p. 199]

Van het grote belang van uitkijken en positie-kiezen zal men wel algemeen overtuigd zijn en dit alles wordt vooral moeilijk als men de kans loopt in buitenspelpositie te komen, hetgeen in het bijzonder het geval is als de voorspelers op schietafstand van het-doel komen. Hoeveel doelpunten zijn al niet geannuleerd omdat een speler buitenspel stond! En hoe vaak was dat niet volkomen onnodig het geval en hoe spijtig is het niet als een prachtig opgebouwde aanval daardoor tot mislukking gedoemd is! Voortdurend opletten is dus de boodschap, hetgeen uiteraard speciaal geldt voor de spelers, die de bal niet hebben. Echter ook voor de speler, die de bal bezit, want ziet hij zijn medespelers in buitenspelpositie, dan zal hij de bal niet mogen afgeven en dan zal een verrassende solo-manoeuvre de onprettige gevolgen van de buitenspelregel kunnen ontgaan.

Buitenspel komt ontegenzeggelijk veel te vaak voor, ook als de buitenspelval niet opzettelijk wordt opengezet. De wijziging van de buitenspelregel en vooral de invoering van de stopperspil hebben het aantal gevallen wel merkbaar verminderd, maar nog lang niet geheel doen verdwijnen.

Het kan de schuld zijn - en dat is gewoonlijk het geval - van de spelers, die de bal niet bezitten en die te vroeg naar voren lopen. Hier komen we dus enigszins in botsing met de theorie, dat voorspelers die de bal niet hebben zich dichter bij het doel moeten bevinden dan de bezitter van de bal. Ze zullen zich dat nl. slechts kunnen veroorloven als zich nog voldoende tegenstanders ter plaatse bevinden. Is dat niet het geval, dan moet de voornaamste zorg zijn achter de bal te blijven en pas naar voren te snellen als de bal gespeeld is, want dan kan men nimmer in buitenspelpositie verkeren. De fout kan echter ook schuilen bij degene die de bal heeft en die hem te lang bij zich houdt. In hun zucht om een goede positie te kiezen, lopen de medespelers dan naar voren, inderdaad te vroeg, maar dat wordt wel erg in de hand gewerkt door het treuzelen van eerstgenoemde. Snel afgeven, tempo in het algemeen, kan dan ook veel buitenspelgevallen voorkomen.

Past de tegenpartij de buitenspeltactiek toe - en dat is toch gauw genoeg te zien -, dan mag men geen enkel risico lopen en dan is het de mooiste tactiek door het innemen van een afwachtende houding de tegenstanders zelf het slachtoffer van hun speelwijze te laten worden. Vooral de goede individuële speler zal daarvan een dankbaar gebruik kunnen maken, maar dan moeten de andere voorspelers toch altijd zorgen niet voor hem uit te lopen, want àls hij, door de omstandigheden gedwongen, de bal moet afspelen, zouden zij in buitenspelpositie komen.

Wij moeten goed begrijpen, dat de buitenspelpositie niet altijd te voorkomen is en dat men dus de betrokken voorspelers daarvoor niet

[p. 200]

altijd aansprakelijk kan stellen. Een geraffineerd achterspeler kan een overigens goed opgezette aanval doen mislukken door op het kritieke moment een pas naar voren te maken en als dat bv. geschiedt op het ogenblik dat de binnenspeler een through pass naar de midvoor wil geven, kan de middenvoor buitenspel komen te staan zonder dat hij er veel aan heeft kunnen doen. Zeker: hij had op de achterspeler moeten letten en met diens voorwaartse beweging zelf een achterwaartse moeten maken, doch de theorie is grauw en de practijk leert dat zulke dingen meestal niet meer te vermijden zijn. Wat van de voorspelers mag worden verlangd, is dat zij hun volledige intelligentie gebruiken om onaangename verrassingen, waartoe ongetwijfeld het onverwacht in buitenspelpositie komen behoort, te vermijden.

Verdedigende taak

Het is in het moderne voetbal zeker niet zó, dat een deel van het elftal een uitsluitend verdedigende, een ander deel een uitsluitend aanvallende taak heeft. Geen enkele speler maakt daarop een uitzondering.

Dat zelfs de doelverdediger de grondslag kan leggen voor aanvallen en dus ten dele ook aanvallend werk doet behalve zijn stellig overwegend verdedigende werk hebben wij reeds uiteengezet. Hoe meer men naar voren staat opgesteld, hoe groter het aanvallende deel van de totale taak is en hoe kleiner het verdedigende deel.

Geheel verdwijnen doet dat verdedigende deel echter voor geen enkele speler; ook de voorspelers hebben een verdedigende taak te vervullen. Aanvallen en doelpunten maken vormen natuurlijk verreweg hun voornaamste werk, maar ze moeten ook defensief optreden.

Dit geldt in de eerste plaats als het elftal in de verdediging gedrongen is, want dan wordt van enkele voorspelers verwacht, dat zij de achterhoede komen helpen. Dat is dus verdedigend spel zonder meer: afnemen van de bal, hinderen van de tegenstanders, zorgen dat zij niet goed kunnen plaatsen, dekken van tegenstanders. Het zijn vooral de binnenspelers, die in een defensief systeem een functie te vervullen hebben, doorgaans bestaande in het dekken van de vleugelhalfs van de tegenpartij. In hoeverre nu deze verdedigende wijze van optreden wordt doorgevoerd, hangt af van het spelsysteem dat wordt gevolgd. Men kan zich wel systemen indenken, waarin de binnenspelers vaak verdedigend moeten optreden. Dat ze bovendien toch altijd, zij het soms uitsluitend als schakelspelers, een zeer belangrijke aanvallende taak hebben, ligt voor de hand.

In de tweede plaats moet elke voorspeler op elke plaats van het veld er op bedacht zijn, dat hij zijn tegenpartij op de een of andere wijze afbreuk zal kunnen doen. Men moet dus bv. de achterhoede belem-

[p. 201]

meren bij het wegwerken en aldus zorgen, dat de bal niet voldoende opgeruimd wordt of niet goed kan worden geplaatst. Men maakt het daardoor zijn eigen verdediging en middenlinie gemakkelijker. Dit geldt zelfs al als de doelverdediger de bal heeft. Het inlopen op die speler kan wel is waar ook tot doel hebben te pogen hem de bal te ontfutselen dan wel hem met bal en al in het doel te werken, maar bovendien moet de overweging voor zitten, dat hij nu niet kan wegwerken op de wijze als hij graag zelf wilde. En datzelfde geldt natuurlijk ook als de achterspelers of middenspelers de bal hebben. Voorts kan hij zijn taak zó opvatten, dat hij verdedigers van de tegenpartij gaat dekken.

Dit laatste nu is belangrijker dan men oppervlakkig zou denken. In het algemeen neemt men aan, dat voorspelers hun heil moeten zoeken in positiespel en dat het dekken moet worden overgelaten aan de verdedigende partij. Dit is slechts ten dele juist. Als de bal bij een achterspeler is, is feitelijk zijn partij de aanvaller geworden en dan moeten de aanvallers van de andere partij zich reeds als verdedigers beschouwen. Ook zij moeten dan tegenstanders gaan dekken, aldus het wegwerken van de bal lastiger makend. Immers, de achterspeler zal dan geen dichtbijzijnde speler kunnen bereiken en moet dan een verre trap geven, die dikwijls op goed geluk wordt geleverd. Dat dekken komt vooral ook te pas bij alle mogelijke vrije schoppen, waaronder dan ook begrepen doelschoppen. Bij een doelschop ziet men bv. de spil alle pogingen in het werk stellen om de middenvoor te dekken. Waarom zou de middenvoor van zijn kant de spil niet eens gaan dekken? Hij voorkomt daardoor, dat op het middenveld elke bal een prooi is van die spil. Bij hoekschoppen is het dekken ook niet de uitsluitende taak van de verdedigers, en bij vrije schoppen en bv. ook inworpen dienen de voorspelers zich er eveneens rekenschap van te geven of het niet gewenst is bepaalde tegenstanders voor hun rekening te nemen.

In de derde plaats kan het verdedigende werk van een voorspeler bestaan in een poging om een bal, die hem afgenomen is, te heroveren. Veelal ziet men in zo'n geval, dat de voorspeler blijft staan. Hij meent zijn plicht te hebben gedaan en laat zijn tegenstander rustig met de bal vertrekken. Het minste dat men dan doen kan, en dus stellig altijd doen moet, is het achterna lopen van de gelukkige tegenstander. Het dan eventueel volgend hernieuwd duel kan nu heel goed door hem gewonnen worden en bovendien bereikt men er in elk geval mee, dat de tegenstander geneigd is, gejaagder op te treden. Hij plaatst de bal wellicht slordig, speelt hem daardoor voor de voeten van de andere partij of raakt hem inderhaast geheel kwijt. De aanvaller, die dat veroorzaakt heeft, heeft dus nuttig werk voor zijn ploeg gedaan, hoewel hij in dit geval louter verdedigend is opgetreden.

[p. 202]

De geluksfactor

Wij stellen ons geenszins op het standpunt dat voetbal een geluksspel, een kansspel is, maar.... het is en blijft een spel met een oneindig aantal factoren, die niet tevoren te berekenen zijn en met een zo grote verscheidenheid van mogelijkheden, dat er zich telkens situaties voordoen, die men nimmer voorzien heeft. Ondanks alle wetenschappelijkheid, die men in de loop der jaren in het spel heeft gebracht, ondanks ook de steeds stijgende theoretische kennis en de verbreiding van de tactische inzichten is dat zo gebleven.

Er is dus een geluksfactor en dat geldt voor alle spelers. De doelverdediger kan door goed opstellen, door tevoren berekenen waar de bal kan komen, nuttig werk doen, maar hoe vaak gebeurt het niet dat hij door louter toeval op de goede plaats staat en dat bv. een mooi hard schot geen doelpunt oplevert omdat het bij toeval tegen hem op geschoten wordt? Hetzelfde geldt voor de andere verdedigers. Men zegt, dat opstellen een kwestie is van gevoel (van ‘feeling’), maar dikwijls speelt ook het geluk daarbij een woordje mee. Men zal vaak moeilijk kunnen uitmaken waar van intuïtie en waar van geluk gesproken moet worden. Een feit is wel, dat de geroutineerde speler het geluk eerder op zijn hand kan krijgen en.... dan is het misschien ook geen geluk meer.

Het meest spreekt de geluksfactor mee in de voorhoede. Wij bedoelen nog niet zozeer de verre, harde trap, die bij toeval goed terecht komt, maar wel de kans dat door een gelukkig schot een doelpunt ontstaat. Deze factor moet men zeker niet wegcijferen en het spel moet er op gericht zijn het geluk een beetje in de hand te werken. Want dat moet men blijven bedenken: de afwerking van het spel is de hoofdzaak. Het mooiste samenspel heeft geen waarde als het niet bekroond wordt door een doelpunt. Men kan zich op het standpunt stellen, dat de bal wel in het doel zal belanden als men maar blijft samenspelen tot eindelijk het leder in het doel gelegd kan worden. Het is inderdaad een leuk gezicht als de bal met korte trapjes van de een naar de ander gaat; dat tiktakspel, dat ‘breien’, getuigt van een goede technische vaardigheid. Maar de aardigheid gaat er gauw voor het publiek af als op het laatste ogenblik een been van een tegenstander tussenbeide komt en het samenspel aldus wredelijk verstoort.

Er moet geschoten worden. Wij wezen er al op en wij doen het nogmaals. En wij voegen daaraan thans toe, dat men bij het lossen van een schot gerust wat aan het toeval mag over laten en wij geloven, dat wij daarbij een kant raken van wat onder het Nederlandse voetbal moet worden verstaan. Wij menen, dat vele successen van Nederlandse voetbalelftallen juist te danken zijn aan het feit, dat in ons

[p. 203]

land meer dan in de meeste andere de factor van het toevalsvoetbal, het geluksvoetbal, niet geheel over het hoofd wordt gezien.

Dit klinkt degenen, die hechten aan een stevige technische en theoretische grondslag - waartoe ook wij overigens behoren - misschien enigszins als ketterij in de oren en daarom willen wij deze bewering nader toelichten.

Doelpunten beslissen de wedstrijd. Men kent ze in soorten, die doelpunten. Ze kunnen inderdaad op wetenschappelijke wijze ontstaan uit welberekende aanvallen, uit een zuiver voor doel geplaatste voorzet, die op technisch perfecte wijze met voet en hoofd in een doelpunt wordt omgezet. Ze kunnen ontstaan uit een welgeplaatst schot van vrij korte afstand, waarbij de schutter precies kan bekijken waar hij de bal onbereikbaar voor de doelverdediger kan deponeren. Ze kunnen ook ontstaan door handig solo-spel, waarbij tenslotte zelfs de doelverdediger omspeeld wordt, zodat de bal slechts in het ledige doel geplaatst behoeft te worden. Voorts kunnen ze ontstaan, doordat de ene speler de doelverdediger uit het doel lokt en dan zijn medespeler de niet meer te missen kans biedt. Te noemen is dan nog het geval, waarbij een speler van de tegenpartij in de buurt van het doel een fout maakt, waarvan de attente voorspeler profiteert: een verkeerd terugspelen, een hele of halve misser, een gewaagde poging om vlak voor doel te drijven, enz.

De aldus gescoorde doelpunten zijn over het algemeen geen geluksdoelpunten, al kunnen de laatstbedoelde er bij behoren, omdat het uiteraard een niet voorzien toeval is als een tegenstander een fout maakt, doch in elk geval behoort het gebruik maken van fouten van de tegenpartij ook tot het berekende voetbal.

Maar neem nu de andere gevallen, en het kunnen vele andere gevallen zijn, waarbij zo maar eens een schot gelost wordt. Een speler verkeert in een positie, vanwaar hij ogenschijnlijk de bal beter aan een medespeler kan doorgeven. Hij doet dat niet, hij schiet. Hij schiet toch eigenlijk lukraak, maakt echter gebruik van het verrassende element dat in een totaal onverwacht schot schuilt en van het feit, dat de doelman naar alle waarschijnlijkheid het uitzicht belemmerd wordt, zodat hij de bal mogelijk pas ziet als deze vlak bij doel of.... hem reeds gepasseerd is.

Nu kan men wel zeggen, dat het vliegensvlug overdenken van al deze overwegingen dan toch maar een kwestie van tactiek, van inzicht is, maar iedere speler zal ons toegeven, dat schoten, die onder zulke omstandigheden gelost zijn, bezwaarlijk als een uitvloeisel van berekend spel kunnen worden beschouwd.

En.... dat het geluksschoten zijn, in vele gevallen althans. De mooiste doelpunten, ontstaan uit schoten van afstanden van 20 of meer meters - en er zijn er wel gelost van 40 meters - zijn inderdaad geluksdoel-

[p. 204]

punten. Het publiek juicht voor die doelpunten dikwijls het hardst, het is in extase over het schitterende schot, dat inderdaad schitterend is, maar min of meer toevallig in het doel belandt, omdat van enig richten geen sprake kan zijn.

Vele van die schoten gaan naast of over het doel of worden gehouden of gaan tegen de lat of de palen. Men spreekt dan van ‘pech’, wat maar ten dele juist is; slechts kan men dan zeggen, dat men niet het aasje geluk heeft gehad, nodig om de bal enkele centimeters lager of er naast te doen belanden. Uit zulke schoten tegen het houtwerk kan trouwens dikwijls een verrassende situatie ontstaan, de terugspringende bal kan bv. worden ingeschoten, en dan mag men zeker niet van pech spreken als een lukraak schot bv. tegen de lat beland is. Hoe kan men nu een dergelijk toeval in de hand werken?

Uiteraard door.... te schieten. En door te schieten ook uit zg. onmogelijke situaties. Niet voortdurend natuurlijk. Het zou een verknoeien van vele aanvallen betekenen als een speler steeds maar lukraak op doel schiet, zonder daarbij succes te hebben. Aan de andere kant moet het ontbreken van succes niet direct tot ontmoediging leiden. Immers, na vele mislukte schoten kan het ineens raak zijn. Het is typisch, dat in dit opzicht veel-wagende spelers daarvoor tenslotte een zeker gevoel krijgen, zodat het grensgebied tussen intuïtie en toeval eigenlijk door zulke spelers bereikt wordt.

Alle specifieke schutters, die ons land gehad heeft, hebben stellig heel wat geluksdoelpunten in hun leven gemaakt. Spelers als Lagendaal, Vente en Bakhuys hebben van onmogelijke afstanden en uit onmogelijke posities oerharde schoten gelost, die doel troffen, omdat ze.... zo hard waren en omdat ze, wat misschien nog veel belangrijker was, onverwacht gelost werden. We hebben zulke doelpunten zien maken door spelers, die faalden als zij een paar meter van de doelverdediger afstonden en aldus ‘de kans van de dag’ misten. Iedere voorspeler zal begrijpen wat wij bedoelen als wij zeggen, dat juist zulke ‘opgelegde kansen’ dikwijls veel moeilijker in doelpunten kunnen worden omgezet dan de afstandschoten, die op goed geluk worden gelost.

 

Dat is, hetgeen wij van de taak van alle voorspelers in het algemeen hadden op te merken. En thans volgt een ontleding van de taak der verschillende voorspelers: de vleugelspelers, de middenvoor en de binnenspelers.

[p. 205]

De vleugelspelers

Uit het feit, dat vleugelspelers in een elftal dikwijls weinig en bijna steeds het minste van allen te doen hebben, moet men niet afleiden, dat hun positie eigenlijk minder belangrijk zou zijn. Hetzelfde zou men ook kunnen opmaken uit het feit, dat in landen, waar geen invallers voor gewonde spelers zijn toegestaan - d.w.z. in nagenoeg alle landen -, spelers die licht gewond raken, niet uitvallen, maar op één van de twee vleugelplaatsen nog wat mee passagieren. Het komt er dan immers in de practijk op neer, dat men daarna die vleugel zo weinig mogelijk in het spel betrekt en dat is inderdaad iets dat men zich ten aanzien van deze plaatsen kan veroorloven.

Inderdaad behoeft de vleugelman niet de zwaarste verantwoordelijkheid van het voorhoedewerk te dragen.

Niettemin mag wel als vaststaand worden aangenomen, dat juist in het moderne voetbal de vleugelspeler een zeer belangrijke taak heeft te vervullen, zowel als mede-opbouwer van de aanvallen als op het gebied van de afwerking. Van een niet-gewond vleugelspeler zal men dus zeker niet mogen gedogen, dat hij mee-passagiert, ook van hem wordt volledige activiteit en oplettendheid vereist. Zeker, hij staat gewoonlijk niet ‘in het gedrang’, nl. noch nabij de lengte-as van het veld noch in de buurt van de eigen verdediging, welke overweging er toe leidt, dat vleugelspelers niet groot of stevig behoeven te zijn. Tot op zekere hoogte kan het spelen op de vleugel een ondankbaar baantje zijn, want men krijgt soms hele tijden niets te doen, bv. doordat het spel zich meer op de andere vleugel beweegt (hetgeen o.m. onder invloed van de wind het geval kan zijn) of ingeval het dekken van de tegenstanders zo uitmuntend is, dat men haast geen kans krijgt er aan te pas te komen. Aan de andere kant kan hij wel eens reden tot verontwaardiging hebben als zijn medespelers steeds maar de bal in het binnentrio houden en daardoor de vleugels dwingen werkeloos toe te zien. Men is als vleugelspeler dus, meer dan wie ook, afhankelijk van zijn medespelers, te meer omdat men toch altijd op zijn plaats moet blijven, hoe ruim dat begrip ook wordt uitgelegd. Men dient dat filosofisch te aanvaarden, - wie dat niet kan, moet dan maar niet op de vleugel spelen.

Er kunnen trouwens omstandigheden genoeg zijn waardoor de ene vleugel veel meer werk heeft dan de andere. Het kan het gevolg zijn van het betreurenswaardige geval, dat middenvoor of middenspelers ‘eenbenig’ zijn, maar het kan ook een uitvloeisel zijn van een zekere tactiek, die zulk spel verlangt, omdat aan de ene kant de verdediging veel sterker is dan aan de overzijde.

Tot de voor een vleugelman meest gewenste eigenschappen behoort ongetwijfeld snelheid. De overweging, dat ook wel minder snelle

[p. 206]

spelers op de vleugel zeer goed hebben voldaan, doet daaraan niets toe of af. Een snelle vleugelspeler heeft veel voor op zijn tegenstanders. Meer dan wie ook is hij in de gelegenheid te lopen naar de vrije ruimte voor hem, meer dan wie ook heeft hij de ruimte om in snelle ren tegenstanders te passeren. Geen enkele andere speler heeft zo vaak de kans op het ondernemen van een snelle sprint.

Er zijn inderdaad spelers geweest, die over niet veel anders dan over een grote snelheid beschikten en die toch tot de succesvolle vleugelspelers hebben behoord. Zij die de kunst verstaan een veertig of vijftig meters veel sneller af te leggen dan hun tegenstanders, hebben stellig een groot voordeel. Zeker, er moet wàt techniek of wàt schotvaardigheid bijkomen - en hoe meer hoe liever vanzelfsprekend -, doch met een geduchte snelheid komt men een heel eind en enige van de naar verhouding talrijke snelle 100-meter-lopers, die ons land gekend heeft, kwamen inderdaad in eerste-klasse voetbalclubs uit, niet als uitblinkers, maar wel als nuttige krachten, nuttig dan door hun overgrote snelheid.

Daar komt bij, dat handige medespelers deze snelheid kunnen uitbuiten, door steeds te pogen de bal ver naar voren te spelen, dan wel hun partners door naar zich toe lokken van een tegenstander een vrij veld te bezorgen. De vleugelspeler kan dit soms in de hand werken door eerst een korte pas te geven aan zijn nevenman en dan snel naar voren te rennen met de bedoeling een eind verder de bal terug te kunnen ontvangen.

De snelle vleugelspeler kan soms op heel eenvoudige wijze tegenstanders voorbij komen: de bal met een vrij harde trap naar voren en dan maar hard lopen. De tactische verdediger weet daar het antwoord wel op, maar in elk geval is het nu en dan te proberen en het slaagt soms wel eens. Merkt de vleugelspeler, dat zijn tegenstander weinig of niet minder snel is, dan behoeft hij het op deze wijze geen tweede keer te proberen, want dan zal elke poging tot mislukking gedoemd zijn. Vandaar ons al eerder gegeven advies aan een vleugelspeler om in het begin van de wedstrijd eens te proberen of hij al of niet sneller is dan zijn tegenstander.

Koppen en drijven

Uit het feit, dat de vleugelspeler niet groot van stuk behoeft te zijn - zonder dat lengte een nadeel behoeft te worden geacht - moet men niet afleiden, dat koppen niet op zijn programma behoeft te prijken. Is er, bij een hoekschop bv., een gedrang voor doel en moet er dan gekopt worden, dan komt de kleine vleugelspeler niet in aanmerking. Men moet echter bedenken, dat heel wat hoge ballen in zijn richting worden getrapt en dat hij dus vaak genoeg zijn hoofd zal moeten

[p. 207]

gebruiken om de bal verder te verwerken. Verder zal de naar binnenlopende vleugelspeler - en hij moet in het moderne spel naar binnen lopen als de andere vleugel de bal opbrengt - er op bedacht moeten zijn, dat de hoge voorzet van de andere kant bij hem terecht komt, d.w.z. ter hoogte van de verste paal - die voor hem de dichtstbijzijnde paal betekent - en dat hij dan de bal in het doel moet kunnen koppen. Goede vleugelspelers als De Natris, Van Nellen en Dräger, verstonden of verstaan die kunst en in Engeland hebben bv. Bastin, de beroemde Arsenal-speler, zijn clubgenoot Hulme, Rimmer, Jackson e.a. heel wat doelpunten aldus tot stand gebracht. Dàt dit niet alleen een kwestie is van goed en zuiver koppen, maar ook van positiespel en anticipatie, ligt voor de hand. Het beste bewijs, dat een vleugelspeler moet ‘meeleven’, ook als de bal heel ergens anders is. En al doet hij daarbij vergeefs werk, dan heeft hij in elk geval zijn plicht gedaan en, wat heel belangrijk is, de voortdurende opmerkzaamheid van een verdediger opgeëist.

In het geschetste geval, dat een.vleugelspeler toeloopt op een voorzet van de andere kant, behoeft natuurlijk niet altijd een kopbal op doel te worden gegeven. Dit is zelfs fout als de kans om te doelpunten wegens de kleine hoek van het doel maar gering is. Een listig kopballetje naar een voor doel opgestelde medespeler - uiteraard buiten bereik van de doelman - zal dan veel nuttiger zijn.

Komt er een verre, hoge bal op hem af, terwijl hij op de vleugel staat, dan kan hij proberen de bal met het hoofd te stoppen en hem dan verder met de voet te verwerken, maar hij kan ook terug plaatsen naar een middenspeler of een binnenspeler. In al die gevallen is goed koppen derhalve gewenst. Na het plaatsen van de kopbal moet de vleugelman niet blijven staan, maar onmiddellijk een goede positie kiezen die hem in staat stelt de bal eventueel weer in ontvangst te nemen.

Technische gaven worden van de vleugelspeler ook verlangd met betrekking tot de kunst van drijven.

Als hij bv. een vrij veld voor zich krijgt, mag het hem zeker niet euvel geduid worden als hij eens poogt de bal snel en handig alleen op te brengen. Om het laatste te kunnen verwezenlijken moet men handig zijn, moet men dus met de bal kunnen drijven. Hij die deze kunst verstaat, kan heel wat doelpunten op zijn rekening krijgen, mits.. hij het drijven niet overdrijft. Van een vleugelspeler mogen de moed en het zelfvertrouwen worden verwacht om het eens alleen te proberen: een pijlsnelle ren, met de bal op het doel af, een raak schot of een geslaagde poging om ook de doelverdediger te passeren. Zulke doelpunten zijn er bij dozijnen gemaakt.

Uit onmogelijke positie moet hij niet schieten, want het moge een aardig gezicht zijn als zijn harde schot met moeite gestopt wordt, de

[p. 208]

kans op een doelpunt is dan doorgaans te klein en in zulke omstandigheden moet de bal worden afgegeven.

En wat het ondernemen van een snelle ren betreft, ook dat moet alleen gebeuren als er een redelijke kans is op succes èn als het niet anders kan. De vleugelspeler kan vaak veel beter van zijn techniek en zijn snelheid gebruik maken door samen met de binnenspeler de bal op te brengen.

Bij het drijven moet de vleugelman er wel om denken niet voortdurend aan de zijlijn gekleefd te zijn. Dit toch zou de mogelijkheid om een tegenstander voorbij te komen, niet gemakkelijker maken, daar hij dan feitelijk slechts aan de binnenzijde zou kunnen passeren. Zou hij het aan de buitenzijde proberen, dan zou de kans te groot zijn dat de bal uit gaat. Wat ruimte laten aan de buitenkant is dus gewenst, zodat variatie bij het drijven mogelijk is en de tegenstander zich dus niet zo gemakkelijk kan verweren. Hoe groot de afstand tot de zijlijn moet zijn, is moeilijk aan te geven, maar 3 à 5 meter lijkt wel gewenst.

Dit laatste vormt een tegenstelling met de opvatting, die in het grijze verleden een vleugelspeler van zijn taak behoorde te hebben. Toen toch gold het als een wet van Meden en Perzen, dat hij ‘op zijn lijn’ moest blijven en zelfs gebeurde het wel, dat na afloop zijn voetbalschoenen werden gecontroleerd om te zien of ze wel voldoende wit waren van de kalklijn. In het moderne voetbal zal hij de lijn slechts bij uitzondering raken, want in tal van situaties zal hij er zich juist niet mogen bevinden.

Bij het drijven dient ook nog in ogenschouw te worden genomen, dat de speler dat niet in de richting van de hoekvlag moet doen. Hij moet, en zeker als hij een 25 meter van de doellijn is, naar binnen komen, hetzij om daar op het geschikte moment de bal af te geven, hetzij om zijn ren voort te zetten. De doelmond moet in elk geval altijd zijn doel zijn, al zou het moeten gebeuren via een in beter positie staande medespeler, en dat oogmerk wordt niet verwezenlijkt als men zich op weg naar de hoekvlag beweegt, want dat betekent verspilling van tijd en energie, alsmede verkleining van de kans op een doelpunt. Een vleugelspeler, die de kunst verstaat bij het drijven zijn beide voeten te gebruiken, heeft vele streepjes voor op de eenbenige voetballer. Ook deze kan wel is waar met de nodige handigheid wel binnendoor passeren, maar hoeveel vlotter en gemakkelijker geschiedt zulks niet als hij zijn ‘andere’ been gebruiken kan! Dit kan bv. ook te pas komen om de bal voor de ‘verkeerde’ voet te brengen. Wels bv. had dikwijls de gewoonte in plaats van naar voren te rennen om de bal voor zijn rechtervoet te houden, even een kleine terugwaartse beweging met de linkervoet te maken, waarna hij direct met die voet kon voorzetten. Ter afwisseling is een dergelijke beweging zeer ge-

[p. t.o. 208]



illustratie
Samenwerking in de achterhoede. Van der Linden speelt, vóór de aanstormende Belgische middenvoor De Cleyn, de bal terug op de afwachtende doelman Kraak in de wedstrijd België-Nederland op 30 Mei 1946.

[p. t.o. 209]



illustratie
Twee vleugelspelers in duel: de beroemde rechtsbuiten Matthews (links) wordt aangevallen door de linksbuiten van de tegenpartij, die aldus een verdedigende taak vervult.

[p. 209]

slaagd, te meer omdat de tegenstander er niet op bedacht is, maar in het algemeen moet het drijven, het passeren van een tegenstander, zó gebeuren, dat men dichter bij het doel komt. Gaat men de andere kant op, dan betekent dat niet alleen tempoverlies, maar bovendien is er de maar al te grote kans, dat een medespeler in buitenspelpositie komt. Bv. de middenvoor, die een pas van de rechtervoet verwacht, daartoe vast naar voren loopt, doch dan moet ervaren, dat de vleugelman terug gegaan is en de bal links neemt. Zijn de tegenstanders dan naar voren gesneld, dan is de buitenspelpositie een feit.

 

Drijven zal vooral succesvol kunnen gebeuren als men over één of meer schijnbewegingen beschikt. Vol bewondering en dankbaarheid denken wij terug aan het spel van wijlen Law Adam, die met zijn schijnbeweging, een combinatie van lichaams- en baltechniek, elke tegenstander te handig af was.

Veronderstel dat na een paar geslaagde pogingen om de tegenstander met een eenvoudige ren voorbij te komen deze de beweging doorziet en zich daarna met succes kan verdedigen. Men moet dan meer pijlen op zijn boog hebben ten einde die tegenstander ‘uit positie’ te spelen. Men maakt dus bv. met het lichaam een beweging in een zekere richting, doch laat op het laatste ogenblik de voet de bal de andere richting uitspelen. De tegenstander zal zich hebben ingesteld op de eerste beweging en is gepasseerd voor hij gemerkt heeft wat er precies gebeurd is. Dit geldt uiteraard ook voor andere posities op het veld, maar een feit is, dat de vleugelspeler veel baat kan hebben van goed uitgevoerde schijnbewegingen. Vooral zal dit het geval zijn als de vleugelspeler klein en lichtgebouwd is en de stevige tegenstander hem door groter lichaamskracht van de bal wil af krijgen. Zijn lichaamswerk zal dan bestaan uit het maken van een misleidende beweging.

Merkwaardig is stellig, dat men met zulke bewegingen soms tegenstanders kan passeren zonder de bal zelfs maar aan te raken, hetgeen slechts kan geschieden als de bal de nodige snelheid heeft. Met het lichaam maakt men allerlei wendingen, die de tegenpartij op een dwaalspoor brengen en de bal gaat intussen rustig zijn gang. De Arsenal-ster Alex James, één van de beste voetballers die de wereld ooit gekend heeft, was daarin een meester. En de beste vleugelspeler van alle tijden, Stanley Matthews, dankte zijn reputatie mede aan zijn gave om allerlei schijnbewegingen met succes te volbrengen.

Een schijnbeweging kan met succes worden toegepast als de vleugelspeler zich wat te dicht bij de zijlijn bevindt en dan in de noodzakelijkheid verkeert aan de binnenkant te passeren. De tegenstander weet dat en een eenvoudige poging om aan die kant de bal te drijven, is bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Maakt men echter een beweging

[p. 210]

alsof men toch buitenom zal gaan, dan zal de tegenstander er gewoonlijk toch in lopen, zelfs al was hij een moment tevoren overtuigd dat dit niet zou kunnen. En dan is het ogenblik rijp om snel binnendoor te glippen.

Schieten

Het ware een onbillijkheid aan het adres van de vleugelspeler uit het verre verleden, indien wij zouden beweren, dat hij niet kon schieten. Wijlen Welcker, rechtsbuiten van het Nederlands elftal, heeft heel wat doelpunten gemaakt door met zijn linkerbeen te schieten en hij was de enige niet.

Desondanks mag gerust worden gezegd, dat de schietende vleugelspeler meer past in het moderne voetbal. De W-formatie vooral heeft er toe geleid, dat de vleugelspelers wel bij tijd en wijle naar binnen moesten komen, wil men de afwerking van de aanvallen bij tijdelijke afwezigheid voor doel van de teruggetrokken binnenspelers niet uitsluitend aan de middenvoor overlaten.

Voorheen vormden of de pas naar de binnenman of de snelle ren langs de lijn gevolgd door een voorzet de voornaamste handelingen van de vleugelspeler, maar tegenwoordig is hij vaak meer nog dan de binnenspeler de man, die doelpunten voor zijn rekening moet nemen. In Engeland hebben bv. Bastin en Brook zich daarin onderscheiden en in ons land heeft Bertus de Harder in een seizoen waarin zijn club V.U.C. kampioen werd, als linksbuiten meer dan de helft van het totale aantal doelpunten gescoord.

Om dat te kunnen bereiken, zal de vleugelspeler moeten kunnen schieten. Dit zal bijna steeds moeten geschieden van een plaats, schuin van het doel gelegen, zodat hij onder een zekere hoek zal moeten schieten. Die schoten zullen dus doorgaans terecht komen in de verste zijde van het doel. Dit zal speciaal het geval zijn als hij met het ‘goede’ been schiet: de linksbuiten bv. met het linkerbeen. In 'n enkel geval zal de naar binnen gelopen vleugelspeler, profiterend van een opening tussen doelman en voorste paal, door die opening heen schieten, in welk geval hij wel heel zeker van zijn schot zal moeten zijn. De Natris zagen wij zulk een doelpunt maken in een wedstrijd tegen Denemarken.

De vraag of de vleugelman zal schieten, is afhankelijk van allerlei omstandigheden, vooral de afstand van het doel en de schiethoek en natuurlijk ook de positie van de tegenstanders. Hij zal dikwijls genoodzaakt zijn een tegenstander binnendoor te passeren en alsdan met het verkeerde been schieten. Ook die kunst dient hij dus bij voorkeur wel meester te zijn.

Een schietende vleugelspeler is dus veel waard voor zijn ploeg, maar het ware dwaasheid als hij steeds maar zijn schoten lanceert, hoe

[p. 211]

slecht hij er ook voor staat. Dit wijst op een tekort aan onbaatzuchtigheid, want vaak zal het voorkomen, dat een medespeler er beter voor staat en in dat geval mag de vleugelspeler, die zijn plicht kent, niet schieten. Men mag zich dan niet blind staren op de internationale uitblinker, die nu eenmaal uit onmogelijk lijkende posities kan scoren; de middelmatige voetballer - en dat is per saldo de overgrote meerderheid - doet beter zich aan de theorie te houden en dus alleen dan te schieten, als er een behoorlijke kans op een doelpunt aanwezig is of als het door omstandigheden niet anders kan. Heeft hij eens het geluk, dat een schot uit onmogelijke positie toch doel treft, omdat de bal toevallig een andere speler raakt of doordat de doelverdediger een blunder maakt, dan moet men zich daardoor niet laten aanmoedigen tot het volharden in wat principieel fout moet worden genoemd.

Het geval is denkbaar dat een vleugelspeler op zijn weg naar het doel de doelverdediger ziet uitlopen om hem tegemoet te komen. De correcte handeling zou dan zijn die tegenstander voorbij te drijven, liefst niet te dicht bij hem omdat deze zich anders op de bal zou kunnen werpen, en vervolgens de bal kalm in het lege doel te plaatsen. Een eenvoudige handeling voor een speler met enige handigheid, maar toch ziet men ze zelden in de practijk toepassen. Het in plaats daarvan geloste schot heeft echter een te grote kans tegen de doelman te belanden of.... naast te gaan als men zich beijvert langs de doelverdediger te schieten. Wie de bal op de centimeter nauwkeurig kan plaatsen heeft daarmee wel een kans, maar hoe weinigen zijn dat er niet!

Een ander middel in zo'n geval is de bal over de doelman heen te wippen. Een bijzonder moeilijke opgave, want in de eerste plaats kan het gebeuren, dat de bal niet gemakkelijk van de grond komt - speciaal op een modderig veld of als de bal nat is -, in de tweede plaats is het denkbaar dat de bal niet hoog genoeg gaat en dan door de doelman wordt onderschept en in de derde plaats kan hij juist te hoog gaan, dus over de lat heen. Zulk een ‘schepbal’ is dus wel heel moeilijk te verwezenlijken, maar bijzonder handige en koelbloedige spelers maken aldus wel doelpunten en ook de vleugelman kan er wel eens een kansje mee wagen.

Zo'n bal is overigens heel nuttig als op een leeg doel geschoten kan worden - als de doelman nl. uitgelopen is -, doch zich nogal wat spelers voor dat doel bevinden. Wordt de bal alsdan geschept, dan loopt men niet de kans, dat hij tegen een speler wordt aangetrapt.

Voorzetten

Wij hebben ons tot dusver bezig gehouden met de middelen, die de vleugelspeler ten dienste moeten staan om doelpunten te maken, doch

[p. 212]

voorzeker moet ook de nodige aandacht worden geschonken aan het aangeven van de bal, want dat moet hij ook in het moderne voetbal vaak genoeg doen, méér feitelijk nog dan schieten.

Dat aangeven kan gebeuren door middel van de pas langs de grond naar de binnenspeler, of door de voorzet, die laag of hoog gegeven kan worden, al naar gelang van de omstandigheden. Het is over de voorzet, dat wij thans het een en ander willen opmerken.

De voorzet is toch, bij alle modernisering van het spel en bij alle wijziging van de taak des vleugelspelers, nog geenszins als uitgestorven te beschouwen. Mocht dan vroeger deze handeling de voornaamste van de vleugelspeler worden geacht, ook thans is zij nog volledig in tel. Een goede voorzet is heel veel waard en ontelbaar is het aantal doelpunten dat er uit resulteert. Dat Wels het tot zoveel internationale wedstrijden heeft gebracht, dankt hij in hoofdzaak aan zijn prachtige voorzetten, alle precies op maat en dus zó geplaatst, dat de andere spelers er iets mee konden doen. Ook Van Nellen verstond die kunst en het is geen toeval, dat juist in de tijd, dat zij de vleugelplaatsen in het Nederlands elftal bezetten, zoveel doelpunten werden gemaakt, al was uiteraard de aanwezigheid van schutters en koppers als Bakhuys, Vente en Smit eveneens van grote betekenis. De voorzet moet goed geplaatst zijn, dat is een dringende, onontkoombare eis. Het is de handeling, die voorafgaat aan de verwezenlijking van aller doel: het doelpunt.

Aan welke eisen moet de voorzet voldoen?

De bal moet niet binnen bereik van de doelverdediger komen, want die is nu eenmaal in het voordeel, doordat hij zijn handen mag gebruiken. Hij moet niet te zacht zijn, maar zeker ook niet te hard, want het mag dan waar zijn, dat een kopbal uit een zeer harde voorzet met ontzettende snelheid in het doel kan vliegen, de kans is groter dat de bal buiten aller bereik voor het doel langs vliegt. De bal mag niet achter het doel komen, - een opmerking die overbodig lijkt, maar er worden helaas zoveel ballen uit voorzetten achter het doel geplaatst, dat er waarlijk wat meer zorg aan besteed mag worden. Nonchalance en gebrek aan concentratie kunnen nl. dikwijls de oorzaken zijn van een dergelijke onherstelbare fout, die een goed opgezette, kans biedende aanval doet mislukken.

De vraag is nu, hoe men de bal moet voorzetten. Men dient daartoe over een behoorlijke baltechniek te beschikken en liefst weer met beide voeten. Dat alleen is echter niet voldoende. Spelers, die in het binnentrio schitterende prestaties leveren en keihard en zuiver kunnen schieten, mislukken soms volkomen als vleugelspeler omdat zij.... niet kunnen voorzetten. Dit eist nu eenmaal een bepaalde stand van de voet ten opzichte van bal en lichaam en dat is voor menigeen blijkbaar moeilijk te verwezenlijken, vooral in een volle ren. Door

[p. 213]

speciale oefening is dat te verkrijgen. Een zekere lichaamstechniek is voorts ongetwijfeld nodig om te leren een bal niet te trappen in de richting waarin men loopt, doch als het ware in dwarsrichting, want dàt is feitelijk het voorzetten.

Het is vaak een punt van discussie geweest of bij een voorzet de bal langs de grond of door de lucht zou moeten worden getrapt.

In het verleden was de hoge voorzet, en dan bij voorkeur de boogbal, de meest gewenste, doch er is een tijd geweest, dat men aan een lage voorzet de voorkeur gaf, omdat men van mening was, dat bij een boogbal de verdedigers te veel in het voordeel waren. Zij toch konden volstaan met de bal weg te koppen, de aanvallende partij daarentegen moest ook zorg besteden aan het zuiver plaatsen van de bal als menhem op het hoofd kon krijgen. Een lage bal, aldus deze redenering, bood meer kans om ineens in een doelpunt te worden omgezet, aangezien men dan het leder gemakkelijker onder contrôle kon krijgen. Gaandeweg is men echter toch van deze redenering terug gekomen, ook naar onze mening terecht. De voorzet, waarbij de bal bij voorkeur terecht komt bij de verste paal en dan zó, dat hij na een boog zo ongeveer ‘dood’ is bij die paal, m.a.w. daar ter plaatse neer komt, biedt stellig zeer reële kansen, omdat er dan altijd enkele spelers aanwezig kunnen zijn om de bal in te koppen. Het nadeel is ongetwijfeld, dat het enige tijd duurt aleer de bal ter plaatse is, doch niet alleen de verdedigers maar ook de aanvallers kunnen daarvan gebruik maken door een zo goed mogelijke positie in te nemen. In elk geval moet men voorkomen, dat de bal al te lang in de lucht vertoeft, al was het alleen maar omdat dan doorgaans de doelverdediger er tijdig bij kan zijn. Men dient dus de bal niet te hoog te trappen.

De spelers, die wij reeds noemden, waren inderdaad sterk in het geven van zulke voorzetten en wij kunnen daaraan nog de naam van Van Gelder toevoegen, die een zeer goede traptechniek, juist voor zulk soort ballen, demonstreerde.

Hieruit af te leiden, dat elke voorzet door middel van een boogbal moet worden afgegeven, ware onjuist. Er zijn omstandigheden genoeg, dat met kans op succes de bal laag voor doel kan worden geplaatst, met name als zich daar weinig verdedigers bevinden en men een partijgenoot gereed ziet staan om de bal in ontvangst te nemen. In zo'n geval moet men zeker gebruik maken van het tempovoordeel, dat een lage voorzet biedt, doch er dient dan wel voor gezorgd te worden, dat de bal zuiver voor de voeten van die partijgenoot geplaatst wordt. Er dient een behoorlijke vaart aan de bal te worden gegeven, daar dan de inzet op doel ook met flinke snelheid kan geschieden, doch aan de andere kant moet de trap niet te hard zijn, omdat anders de partijgenoot te veel moeite zou hebben de bal ineens onder contrôle te krijgen. De omstandigheden dienen overigens

[p. 214]

te bepalen hoe hard de trap zal moeten en kunnen zijn. De aanwezigheid ter plaatse van één of twee spelers van de andere vleugel zal bv. er toe kunnen leiden, dat de voorzet behoorlijk hard mag worden afgegeven. Is de trap wat te hard uitgevallen, dan zal de snelle collega-vleugelspeler dat kunnen corrigeren door op zijn beurt een voorzet te geven, een situatie die heel dikwils in een wedstrijd voorkomt.

De vleugelspeler dient de kunst om hoge of lage voorzetten te geven, volkomen onder de knie te hebben en hij moet daarbij bedenken, dat dit dikwijls in volle ren zal moeten gebeuren. Hij zal zich hebben vrijgespeeld, doch mag niet aarzelen, want de verdedigers stormen op hem toe en dan is het dus zaak voor te zetten alvorens men gelegenheid krijgt de bal stil te leggen. Dat voorzetten in volle ren is niet gemakkelijk; het vermogen om het te doen bepaalt min of meer de klasse van de vleugelman.

 

Er is nog een andere manier om de bal langs de grond te plaatsen, nl. door middel van de zg. ‘trekbal’, waaronder men pleegt te verstaan een trap langs de grond, waarbij de bal in de richting van het eigen doel wordt geplaatst.

Dit kan vaak voorkomen als de vleugelspeler tot op de doellijn is doorgedrongen. Een schot is dan onmogelijk en een hoge bal kan door de aanwezigheid van te veel verdedigers te gemakkelijk een prooi van de tegenpartij vormen. De bal kan dan voordelig schuin terug worden geplaatst naar een wat achtergebleven medespeler, gewoonlijk de binnenspeler en als deze over een goed schot beschikt, kan hij meteen een kans wagen. Hieruit volgt tevens, dat het nuttig is voor de binnenspeler om wat achter te blijven, d.w.z. voor die binnenspeler aan wiens kant de vleugelman de bal heeft opgebracht. De andere daarentegen moet proberen bij doel aanwezig te zijn om eventueel de voorzet bij de verste paal voor zijn rekening te nemen. Men ziet, dat de vleugelman heel dikwijls afhankelijk is van de positie van zijn medespelers, van het positiespel dus in zijn voorhoede, maar in de meeste gevallen zal hij toch wel een medespeler ergens kunnen bereiken en dan is uitkijken geboden om te zorgen, dat de juiste speler op de juiste wijze bereikt wordt.

 

Tenslotte rest nog de vraag van welke plaats de vleugelspeler zijn voorzet moet geven. Dit moet liefst niet te dicht bij de zijlijn gebeuren, hoewel de goed trappende vleugelman de afstand wel behoorlijk zal kunnen overbruggen. Maar ziet hij kans wat dichter bij de lengte-as van het veld te komen, dan mag hij dat niet achterwege laten. Bevindt hij zich op een afstand van meer dan 25 meters van de doellijn, dan klemt dat nog niet zo erg, want de voorzet, die hij

[p. 215]

dan geeft, is niet zozeer bestemd om ineens in een doelpunt te worden omgezet, doch dient slechts voor opbouw van de aanval. Komt hij echter verder, dan moet hij met de bal naar binnen komen. Wijlen Arsenal's beroemde manager Herbert Chapman, de man die de Londense club groot gemaakt heeft, had de gewoonte de hoeken van het veld tot verboden gebied te verklaren, waar de vleugelman slechts komen moest als bij toeval de bal daar terecht kwam, doch waarin hij zich niet opzettelijk mocht begeven. Kwam hij aan de grens van dat gebied - hetwelk op het oefenbord gearceerd stond aangegeven -, dan moest hij òf de bal voorzetten òf naar binnen komen teneinde de voorzet te geven van een punt af, dichter bij het doel gelegen. Bevindt de vleugelman zich nabij de middenlijn, dan mag er natuurlijk geen sprake zijn van een hoge voorzet ergens in de richting van de lengte-as van het veld. Geeft hij de bal af, dan moet het in deze positie zeker langs de grond gebeuren en wel zuiver geplaatst naar een ongedekt staande medespeler. Men moet overigens van de vleugelspeler nooit de indruk krijgen, dat hij blij is van de bal af te zijn.

De hoekschop

Het is de plicht van de vleugelspeler om de hoekschoppen te nemen. En het is zijn recht. Maar dan moet hij ook zorgen ze goed te kunnen nemen.

Er is een behoorlijke traptechniek voor nodig, want men moet een afstand van plm. 35 meter kunnen overbruggen, d.w.z. men moet de bal zo kunnen trappen, dat hij na een boog te hebben afgelegd, plm. 35 meter verder neer komt. Een geweldige trap is dat wel is waar niet, maar men moet behoorlijk ontwikkelde voetspieren en in elk geval een zekere ‘slag’ hebben.

Men kan menen, dat een voetbalspeler alles kan leren, maar de practijk heeft wel bewezen, dat dit maar tot op zekere hoogte het geval is. De bijzonder goede voetballer Adam had geen hard schot en hij was tevens geen uitblinker in het nemen van hoekschoppen. Adam trainde toch vaak en goed genoeg, maar dit ging blijkbaar boven zijn vermogen, dat meer gespecialiseerd was op handigheid en snelheid.

Adam beschouwend als de uitzondering die de regel bevestigt - onze uitblinkende vleugelspelers konden allen overigens goed hoekschoppen nemen -, blijven wij dus het standpunt innemen, dat dit tot hun taak behoort.

 

Wat nu is de voornaamste eis, die aan een goede hoekschop moet worden gesteld?

Natuurlijk deze, dat de bal niet achter het doel terecht komt. Een

[p. 216]

dergelijke fout is onvergeeflijk en zal nimmer verontschuldigd kunnen worden, zelfs niet als een harde wind van doel tot doel staat, want men kan volkomen met de wind rekening houden, daar het immers een vrije, stil liggende bal betreft, die ongehinderd kan worden getrapt.

En toch.... wordt die fout maar al te dikwijls gemaakt, door de beste spelers, zelfs in internationale wedstrijden. Zelfs Engelse beroepsspelers plaatsen somtijds een hoekschop achter het doel. Het verhaal gaat hoe zulk een speler deze bij hem bijzonder vaak voorkomende fout werd afgeleerd. De trainer liet hem bij de oefeningen steeds maar hoekschoppen nemen. Zelf ging hij op de strafschopstip staan met de opdracht dat de bal hem tegen het hoofd geschoten zou worden. De geschiedenis vertelt niet of het hoofd wel eens geraakt werd; het is overigens nagenoeg een onmogelijkheid zo iets op deze afstand te verwezenlijken. Maar toch was de trainer streng in zijn eis en als de bal maar een meter van hem vandaan kwam, liet hij de schop overnemen. Zo kreeg de speler eindelijk het gevoel en de techniek niet alleen om op een bepaald doel te mikken, maar ook, en dat was het voornaamste, om elke bal vóór het doel te krijgen in plaats van er achter.

Want nogmaals: achter het doel mag de bal nooit terecht komen; het is het verknoeien van een kans, die toch altijd in een hoekschop schuilt. Het gezegde, dat een hoekschop een half doelpunt is (men zegt dan liever: een corner is een halve goal!), is wel is waar met de practijk in strijd, maar toegegeven moet worden, dat méér hoekschoppen succes zouden kunnen opleveren en dat het niet gebeurt, is ten dele de schuld van de nemers der hoekschoppen, die steevast een zeker percentage achter het doel doen verdwijnen.

 

De speler moet dus leren op een bepaald punt te mikken en hij mag tevreden zijn als de bal niet meer dan ca. vier meter van dat punt terecht komt. Dat punt dient dan te zijn een medespeler, liefst het hoofd van die medespeler en dus is stellig ook de opstelling van de partijgenoten van belang. Als die zich aanwennen enkele meters van het doel af te staan, zal de hoekschopnemer niet in de verleiding komen de bal al te scherp voor doel te plaatsen met dan inderdaad het risico dat hij, bv. bij sterke wind, er achter terecht komt. En het is vooral daarom van zoveel belang, dat de bal enkele meters van het doel terecht komt, omdat hij dan niet zo licht een prooi zal worden van de doelverdediger. De voorspelers moeten dus stellig niet te dicht bij de doelman gaan staan, want zij zijn dan te veel in het nadeel tegenover de tegenstander, die zijn handen mag gebruiken en die dus veel hoger kan reiken.

Waar de bal precies terecht moet komen, is moeilijk te zeggen, maar

[p. 217]

een afstand van 6 tot 8 meter lijkt niet ongeschikt. Mikt men daarop, dan zal de bal toch niet achter het doel kùnnen komen en bovendien zal de kans voor de doelverdediger om tussen beide te komen, niet groot zijn, want deze mag niet het risico lopen ontijdig ver uit zijn doel te komen zonder de zekerheid te bezitten dat hij de bal zal kunnen grijpen of wegslaan.

Voorts geldt ook weer voor de hoekschop, dat de bal liefst bij de verste paal moet terecht komen. De uitzondering daarop kan worden gevormd door de omstandigheid, dat de wind dwars over het veld staat in de richting van de hoekschopnemer. In dat geval is het haast onmogelijk met een hoge bal de afstand te overbruggen en zelfs verdient het dan ernstig aanbeveling de bal langs de grond te trappen, al dient dat laatste tot de hoge uitzonderingen beperkt te blijven.

Houden wij ons echter eerst aan normale omstandigheden. De bal wordt dan, op dezelfde wijze als bij de hoge voorzet, met de wreef getrapt en van onderen geraakt. Een aanloop is vrijwel altijd noodzakelijk en liefst een flinke aanloop, voor zover de omstandigheden van het terrein dat toelaten, want dat laat helaas nog wel eens te wensen over. Slechts een speler met bijzondere kracht zou zich wellicht kunnen veroorloven geen aanloop te nemen. Men ziet trouwens nog wel eens spelers, nagenoeg zonder aanloop, de bal met de punt van de schoen trappen, hetgeen op een droog veld wel mogelijk, doch nimmer aanbevelenswaardig is. Naar onze mening dient men het trappen met de punt altijd achterwege te laten.

Bij de aanloop nadert de speler de bal onder een hoek van ongeveer 45 graden. Door veel oefenen kan de vleugelspeler hierin een grote ervaring krijgen, in welk geval hij zich het recht om hoekschoppen te nemen niet zal laten ontgaan.

Na het nemen van de hoekschop moet de speler niet blijven staan, doch onmiddellijk in de richting van het doel lopen, teneinde eventueel de bal weer in ontvangst te kunnen nemen.

Ter afwisseling kan de bal inderdaad wel eens langs de grond worden getrapt, in welk geval een medespeler niet te ver uit de buurt moet staan. Dit zal b.v. vaak de middenspeler kunnen zijn en als de vleugel bij hevige tegenwind geen gewone hoekschop wil nemen, kan hij wellicht de middenspeler de bal toespelen, die er dan allicht wel wat goeds mee kan doen, bij voorkeur een boogbal naar de verste paal, zoals wij reeds eerder hebben verteld.

 

Met welke voet moet de bal worden getrapt?

Deze vraag is al vaak het punt van levendige discussies geweest. De een zegt: de bal moet met het ‘verkeerde’ been worden genomen, omdat de bal dan naar het doel toe draait, de ander is van mening, dat het met het ‘goede’ been moet geschieden, omdat de bal dan

[p. 218]

draait naar de medespeler die hem kan opvangen om te proberen hem in het doel te werken.

Het aantal partijgangers van het ‘verkeerde’ been is verreweg het grootst en in de Engelse voetballiteratuur bv. komt men in het algemeen tot deze conclusie. Neemt de linksbuiten een hoekschop, dan zal hij dat dus bij voorkeur met de rechtervoet moeten doen, er daarbij echter meer dan ooit voor zorgend, dat de bal niet te dicht bij het doel komt, want als hij dan nog naar doel toe draait, heeft de doelverdediger hem zeker.

Om dit te kunnen verwezenlijken, moet de vleugelspeler dus zijn andere been kunnen gebruiken, hetgeen lang niet altijd voorkomt. Men bedenke, dat men dat been goed moet kunnen gebruiken, omdat het toch altijd een flinke trap is, die vereist wordt. Linksbuitens die goed rechts kunnen trappen komen veel voor, omdat er nu eenmaal meer rechtse dan linkse spelers zijn. Rechtsbuitens, die goed links kunnen trappen, zijn vrij schaars en men ziet ze dan ook maar zelden een hoekschop links nemen. Van Gelder van V.U.C. was er toe in staat en hij nam dan ook dikwijls de hoekschoppen zowel aan de linker als aan de rechter kant. Ook Dräger kan het heel goed met beide voeten, maar een voortreffelijk, snel, handig en goed schietend linksbuiten als Bertus de Harder kon maar heel moeilijk de bal met zijn rechtervoet voor doel krijgen. In zo'n geval is natuurlijk het gebruik van het goede been geboden, omdat ook daarmee uitstekende hoekschoppen kunnen worden genomen. Het middel om de vleugel van de andere kant de hoekschop te laten nemen, kan men ook wel toepassen, al zijn er aan een dergelijke plaatsverandering wel bezwaren verbonden ook, want in de overigens betrekkelijk korte tijd, dat een bepaalde plaats onbezet is, kan juist de bal in die richting komen. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, dat het gewenst is, de bal - en dan met het verkeerde been - wel zo scherp mogelijk te nemen, nl. als de wind van doel tot doel staat. Als men er dan goed voor oppast, dat de bal niet te hoog getrapt wordt, is er een redelijke kans, dat hij ineens in het doel belandt, nl. door de samenwerking van wind en draaieffect. Menig doelpunt is aldus gemaakt en nu geven wij wel toe, dat daarbij wat geluk moet komen, een feit is, dat sommige spelers zich daarop gespecialiseerd hebben. Van Gelder heeft eens in een wedstrijd van V.U.C. tot driemaal toe aldus een doelpunt gemaakt door uit een hoekschop ineens in te schieten, tweemaal van de ene vleugel en eenmaal van de andere, daarmee een mooi staaltje van ‘tweebenigheid’ leverend.

Het is ook mogelijk de bal met het goede been zó te trappen, dat hij naar het doel toe draait, hetgeen echter een bijzondere traptechniek eist. Men moet dan nl. de bal met de buitenkant van de voet trappen en hem, als linksbuiten bv., aan de rechterkant raken. Men neemt

[p. 219]

de aanloop dan voorts niet met een hoek van 45 graden, maar recht in de richting van de doellijn. Wij zagen die trap voor het eerst toepassen door een Hongaars international, wiens naam ons ontschoten is, en in ons land hebben wij de Ajax-speler Mulders aldus hoekschoppen zien nemen. Ook zij waren dus overtuigd van de wenselijkheid, dat de bal naar doel toe draaide, welke mening wij onderschrijven.

 

De vleugelspeler is dus de man die de hoekschoppen neemt. Nu kan het echter voorkomen, dat hij ‘zijn dag’ niet heeft. Zijn voetbalschoenen zitten hem, bij wijze van spreken, niet goed aan zijn voeten, hij heeft ‘een rare trap’ over zich. Iedere voetballer kent dat.

Nu is het erg onprettig als hij dat, bij het nemen van een hoekschop, pas tijdens de wedstrijd merkt, want die hoekschop zal dan worden verknoeid en wellicht enkele daarna ook nog, want hij zal het met alle geweld willen proberen. Dat proberen moet echter voor de wedstrijd gebeuren en iedere vleugelspeler zal goed doen dat in zijn oren te knopen. Inplaats van het zinleidge op doel schieten (goaltjekicken!) kan hij beter eens een paar hoekschoppen proberen, mede om te zien hoe de toestand van het terrein is, of hij bv. wel een goede aanloop kan nemen en welk been hij het beste kan gebruiken, gezien zijn eigen conditie en ook weer de omstandigheden van het veld. Want het gebeurt bv. wel, dat de linksbuiten geen aanloop kan nemen om de bal rechts te trappen.

De vleugelspeler kan dan gewaar worden of hij die dag in staat is tot het nemen van goede hoekschoppen. Is hij dat niet, dan late hij het onverwijld een ander doen, hetzij de andere vleugelman, hetzij zijn binnenspeler en het is alsdan nuttig zulks die andere spelers ook even te laten proberen.

Een vleugelspeler behoeft er zich heus niet voor te generen, de hoekschoppen eens door een ander te laten nemen, indien deze dat beter kan. Wij hebben dat in een wedstrijd Nederland-België meegemaakt, toen aanvankelijk Adam's hoekschoppen onvoldoende waren en later rechtsbinnen Wim Tap ze ging nemen. Ook in clubwedstrijden mag dat gerust voorkomen, - het gaat er immers slechts om de beste resultaten voor zijn elftal te bereiken en daarom moet de kans, die toch altijd in een hoekschop schuilt, zo groot mogelijk worden gemaakt.

Samenwerking met de andere spelers

In het combinatiewerk, het opbouwen van aanvallen, kan de vleugelspeler een groot aandeel nemen. Het samenspel met binnenspeler en middenspeler, het meerbesproken driehoekspel, mag tot op zekere hoogte verouderd zijn, het kan toch altijd nog voorkomen en de vleu-

[p. 220]

gelspeler moet het dus mede kunnen beheersen. Het vereist goed positiespel, het innemen telkens weer van een vrije positie nadat de bal is afgegeven. Dit geldt trouwens voor alle handelingen van de vleugelman. Hij mag, na het geven van de pas of de voorzet of wat dan ook, nimmer gelijk een zoutpilaar blijven staan, doch hij moet er altijd op uit zijn, het volgend moment weer een nuttige positie te bezetten. Hij mag dus, als hij de bal gespeeld heeft, niet denken dat zijn werk beëindigd is; in de meeste gevallen is het dan pas begonnen! De samenwerking met de andere voorspelers door middel van voorzetten is reeds uitvoerig behandeld. De vleugelspelers kunnen echter ook met elkaar samenwerken. Een trap van bv. de rechtsbuiten naar de linksbuiten kan heel nuttig zijn, omdat het spel dan verplaatst wordt en de tegenpartij daarop doorgaans niet ingesteld is. Men krijgt daarmee de verdediging vaak ‘uit positie’, hetgeen speciaal van belang is, als die een sterk verdedigingssysteem speelt, waarin moeilijk ‘een gat’ te krijgen is. Door het spel zo open te houden als met bedoelde trap bereikt wordt, kan dat inderdaad gelukken.

Misschien is dit een beetje toevalsvoetbal, want zo'n trap kan nooit welgeplaatst zijn, maar er kunnen zoveel voordelen in schuilen, dat de vleugelspelers de mogelijkheden niet mogen verwaarlozen.

Een voortreffelijke wijze van samenwerking is het plaats-verwisselen, de ‘switch’, zoals reeds beschreven in het hoofdstuk ‘Tactiek’. De vleugelspeler moet deze manoeuvre volledig onder de knie hebben en dat kan alleen het geval zijn als hij er volkomen van doordrongen is, dat het gebied nabij de zijlijn zijn uitsluitende domein niet is.

De vleugelspeler kan de ‘switch’ op verschillende manieren inleiden, zoals in het hoofdstuk ‘Tactiek’ is beschreven. Er zijn tal van variaties mogelijk, ook met de middenvoor er bij. Zulke bewegingen slagen uiteraard slechts als de betrokken spelers elkaars bedoelingen volkomen begrijpen. Het is b.v. een pijnlijk, nogal eens voorkomend misverstand, als de binnenspeler de bal naar de zijlijn trapt en de buitenspeler juist naar binnen gelopen is. Doordat deze wendingen uiteraard altijd onverwacht, immers verrassend moeten gebeuren, zijn zulke misverstanden niet altijd te vermijden, maar men dient ze toch zoveel mogelijk te voorkomen en goed op elkaar ingestelde spelers kunnen ze voorkomen.

Plaats verwisselen kan ook bewust geschieden als om een of andere reden de binnenspeler naar de vleugel verhuist. Dit kan inderdaad het geval zijn als diens zware taak hem te veel werk heeft laten doen, zodat hij op de stellig rustiger vleugelplaats even wil uitblazen. De vleugelspeler moet dan naar binnen en hij dient er op die plaats toch wel wat van terecht te brengen, wil de omzetting geen hopeloze verzwakking betekenen. De vleugelspeler moet dus vertrouwd zijn met hetgeen op die andere plaats verlangd wordt.

[p. 221]

Enkele verdere nuttige aanwijzingen mogen niet achterwege blijven. Daar is bv. deze, dat een vleugelspeler een hem toegespeelde bal tegemoet moet komen. Hoe vaak gebeurt het niet, dat een in zijn richting gespeelde bal onderschept wordt, doordat een tegenstander op het laatste ogenblik tussen beide komt. Is de pas te kort geweest, dan kan hij er weinig aan doen, want dan is het de schuld van de speler, die de pas gaf, maar bij een lange trap mag het toch eigenlijk niet gebeuren, dat men zich de bal voor de neus laat wegkapen. Zo goed als de tegenstander naar de bal toe snelt, moet hij het ook doen en hij moet zorgen eerder dan die tegenstander bij de bal te zijn. Vooral dient dat te gebeuren als de bal enigszins achter hem geplaatst werd, - in principe fout, dat weten wij ook wel, maar het kan nu eenmaal gebeuren, door de schuld van de medespeler, maar ook doordat deze niet anders kon.

Dat een vleugelspeler snel met een bal ‘weg’ moet kunnen, spreekt vanzelf. Hij moet dus weinig of geen tijd verliezen met het ‘dood’ maken van de bal en na hem, hoe dan ook, gestopt te hebben - althans indien dat nodig was -, moet hij meteen in actie zijn om een ren te ondernemen. De kunst is dan om ondanks de grote snelheid de bal niet te ver vooruit te spelen, - een kwestie van gevoel in de voeten en natuurlijke aanleg, maar door een ijverige speler stellig tot op zekere hoogte te leren. De geboren vleugelspeler doet dat soepel en vloeiend. Wie ooit spelers als De Natris en Adam in actie heeft gezien, zal begrijpen wat wij daarmee bedoelen en ook de andere, reeds eerder genoemde vleugels van het Nederlands elftal verstonden die kunst voldoende.

 

Dan mag de aanwijzing niet achterwege blijven, dat ook de vleugelspeler tot op zekere, zij het vrij geringe hoogte, een verdedigende taak heeft te vervullen, in zoverre dat hij zijn tegenstanders zoveel mogelijk kan hinderen. Als hij een achterspeler belet vrij en hard weg te trappen, heeft hij in verdedigend opzicht nuttig werk voor zijn elftal gedaan. Desnoods mag hij dan gerust tot op eigen helft terug komen. Er is geen enkele wet die hem voorschrijft niet verder terug te gaan dan de middenlijn en dan maar te wachten op de dingen die komen zullen. Ook de vleugelman mag terug komen om de bal op te halen, zoals bv. de spelers van de sterke ploegen van Uruguay en Argentinië op de Olympische Spelen van 1928 te Amsterdam demonstreerden. Een speler als de linksbuiten Orsi, de Argentijn die later Italiaan werd, zag er niet tegenop ver terug te trekken en vandaar zijn snelle en gevaarlijke rennen te ondernemen. In het moderne voetbal wordt dit tijdelijk terugtrekken van de vleugelspelers beschouwd als een tegenzet tegen het stopperspilsysteem, omdat zij zich dan aan de dekking van de achterspelers kunnen onttrekken.

[p. 222]

De vleugelspeler moet dat natuurlijk niet overdrijven, zelfs niet als het er om gaat in de laatste minuten een voorsprong met man en macht te verdedigen. De kans dat de spelers elkaar dan in de weg lopen en elkaar het wegwerken aldus belemmeren, is dan te groot en bovendien moeten er toch altijd enkele spelers zijn die gereed staan om een tegenaanval te ondernemen en bij die spelers behoren in de regel de vleugels.

Het hinderen van een tegenstander moet hij net zo lang voortzetten tot een medespeler nabij is om die taak over te nemen. Dan moet de vleugelspeler zijn oude positie zo snel mogelijk weer zien in te nemen, want dan moet weer gedacht worden om de spelopbouw.

Is een aanval van een vleugelspeler nabij het doel van de tegenpartij afgeslagen, dan komt het er eerst recht op aan zich zo snel mogelijk te herstellen, zelfs al is men ten val gebracht. Vlug opstaan en de verdediger achterna rennen is dan geboden, niet alleen om die verdediger het wegtrappen te bemoeilijken, maar bovendien om een poging te wagen de bal te heroveren.

Oefening

Dat de oefening van de vleugelspeler gericht moet zijn op het aanleren, resp. opvoeren van snelheid, balcontrôle, positie-kiezen en de bekwaamheid om voor te zetten, te schieten en een tegenstander te passeren, volgt uit het voorgaande. Tot zelfs de begaafdste spelers zullen geregeld aan al die oefeningen moeten deelnemen.

Wel is waar zal zelfs de hoog opgevoerde training niet in staat zijn een langzame speler snel te maken, maar door goede oefeningen zullen zijn bewegingen sneller gemaakt kunnen worden. Bovendien zal een speler, die niet traint, onherroepelijk langzamer worden.

Vleugelspelers zullen over een behoorlijke afstand hard moeten kunnen lopen, dus bv. een 60 meter. Zij moeten natuurlijk snel kunnen starten en snel in een andere richting moeten kunnen lopen.

Rondjes-lopen moet de vleugelspeler net zo goed doen als de anderen, doch hij behoeft dat zeker niet te overdrijven, want aan zijn uithoudingsvermogen worden niet zo bijzonder hoge eisen gesteld.

Snel lopen met de bal voor de voet en daarbij zorgen dat de bal niet te ver van hem vandaan komt, is voor hem wel de belangrijkste baloefening en die zal soepel moeten worden uitgevoerd met lichaamswendingen, die in schijnbewegingen kunnen worden omgezet. Voorts moet het voorzetten in volle ren worden aangeleerd, waarbij er vooral aandacht aan moet worden besteed, dat de bal van de grond af komt. Daarbij moet tevens worden geleerd aldus een zeker punt te bereiken, gelegen op verschillende afstanden, zodat de vleugelspeler het gevoel krijgt een gewenste afstand met een boogbal te overbruggen.

[p. 223]

De middenvoor

Als de vraag gesteld wordt, wie de populairste speler van het elftal is, zullen sommigen misschien de doelverdediger, anderen wellicht de spil (aangenomen dat hij geen stopper is!) noemen, doch de meeste stemmen zullen naar alle waarschijnlijkheid ten deel vallen aan de man, die een moeilijke en verantwoordelijke positie inneemt: de middenvoor. Deze toch is vaak, om niet te zeggen gewoonlijk, de man die de aanvallen moet afwerken, de man dus die de doelpunten maakt. En nu kan men zich wel op het standpunt stellen, dat de doelpunten voor de club gemaakt worden en dat het er dus niet op aan komt wie ze maakt; men kan bovendien en zeker terecht van mening zijn dat het verkeerd is als een bepaalde speler er op uit is de doelpunten te s