[p. 25]
Verdreven Oogen
Verdreven oogen blinkend in het onbenaambaar vuur
nachtlange waken aan den voortuin van mijn ziel,
verdreven uit uw lichtrijk en een eeuwig uur
naar deze wereld waar de duisternis op viel:
gij spiegelt over schuld van andren en hun zelfbeklag
de hemelklaarte van het eerste paradijs, -
de late dag gaat trager, maar uw schemerende lach
geleidt mijn schreden, eindloos goed en wijs.