[p. 27]
Hij daalde sluimrend
Hij daalde sluimrend in een tuin
en zocht het lied en zocht het wonder -
het groote stroomen was al onder,
in huivering en wild ontfermen
sloop hij terug, en zag, en zweeg:
twee oogen, schrikkelijk en leeg,
als een gevaar op hem gericht
en over den spiegel, zonder beschermen,
zijn eigen hulpeloos gezicht.