terug  begin  verderprepost
[p. 30]

Over het gras

 
Over het gras en over het water
 
dwaal ik achter de beminde
 
die ik vroeg en die ik later,
 
die ik nimmer, nimmer vinde.
 
 
 
Smalle schelpen zijn haar handen
 
om een eeuwge zee te hooren,
 
in zijn wieg en broze wanden
 
zingt haar hart mijn wee verloren.
 
 
 
Handen die mijn hoofd niet koelen
 
met hun sneeuw, de lichte, zachte.
 
Hartklop die ik niet zal voelen
 
onder stergoud, al de nachten.
 
 
 
Over het gras en over het water
 
dwaal ik achter de beminde,
 
tot ik aanzie - later, later,
 
in een licht dat mij hervinde.
prepostterug  begin  verder