[p. 36]
Nachtwake
Voor Henk Wiegersma
Nog stil en stiller ingetogen
lief, moet uw smalle voetstap zijn:
er ligt in ieder woord een logen,
in iedren oogopslag venijn.
Maar bij het duister dezer tuinen
de lamp van uw geduldigheid
heeft al de hooge, wilde kruinen
met duurzaam glanzen opgeleid.
Gij zijt de zon, het overnachten
des lichts in de ongeplooide tent,
die, schuilplaats van geheime krachten,
geen avond en geen uchtend kent.
Uw armen gaan als witte zwanen
die halswaarts over 't vijvervlak
zich edel-slanken doortocht banen,
totdat de stroom hun aandrang brak.
[p. 37]
O stroom, die in mijn lijf gestegen
dit zilverblanke strand bevloog, -
zij komt uw stagen golfslag tegen
en leest uw kort bevel in 't oog.
O bleeke heup, op bed gevonden
als horizon en heuvelkam,
o borsten, zachter neergewonden
dan donzen vogels, vleugellam -
'k zal uw volkomenheid begeeren
en tel geen logen, geen venijn,
tot uw beschermend leven keeren
en klinken en extatisch zijn.
En dit gelaat, zoo doodlijk zeker
van bitterheid en lange pijn?
Aan hare lip zet zij den beker
en laat het dagen, laat het zijn.