terug  begin  verderprepost
[p. 38]

Madrigaal

 
Zachte maîtressen die mijn hart verheugt,
 
eens, als dit lichaam wankelt, houdt het van de baar.
 
't Was nooit gehoorzaam - laat het ziel en deugd
 
der burgerij niet krenken op een rouwaltaar.
 
 
 
Neem het uit doodszweet van het lauwe bed:
 
het ligt in 't weiland koeler, bij den Lethe-stroom
 
is alles over en door niets verlet
 
in windekelken slaap ik aan den tooverboom.
 
 
 
Gordel mijn lenden, waar uw beet mij trof,
 
met witte roosguirlanden die de dauw besliep.
 
Schik anjelieren en wat teeder lof
 
op hals en schedelplaten, waar uw mond om riep.
 
 
 
Zoeter dan bloemen wast de watervloed,
 
een weerloos lijf te dragen dat zijn haven vond:
 
de golven zingen en de voorjaarsgloed
 
verwildert vleesch en bloemen tot een akkergrond.
 
 
[p. 39]
 
Zachte maîtressen die bij maneschijn
 
met nieuwe minnaars sluimert aan den watervloed:
 
als gras en Juni-bloemen zal ik zelf daar zijn,
 
omstrengelend uw lijf, dat gij verlaten moet.
prepostterug  begin  verder