[p. 40]
Cythera
't Is spelens tijd, nog wast de maan
en snel zijn onze leden koud.
Maar oogen die niet slapen gaan
zien in 't gestroomde appelgoud
en spiegelveld het eender beeld
van oogen naast elkander staan.
Mijn handen, dwalend door den teelt
der rijke haren, 't zwarte graan
van schedel en geheven schoot,
't zijn smeekelingen om den gloed
der schaamte en dien fieren stoot
van onverwonnen zomerbloed.
O vrouw die mijne vreugden deelt,
wen nimmer aan den kleinen tijd!
Gij, die dit lichaam hebt bespeeld
met zooveel kracht als teederheid,
[p. 41]
zijt wijder dan het firmament
en dieper dan het waterveld.
Ik heb u spelende herkend
en spelend is het zoet geweld
van uwen aanloop die 't gelaat
- verwoest, verworpen en beschreid -
met brekend morgenlicht beslaat
en mijn geboeide lijf bevrijdt.
Verrijs! en vaar uw lust mij aan
van armenwieg, van schouderboot:
't is spelens tijd, de zomermaan,
de aarde en de nacht zijn groot.