terug  begin  verderprepost
[p. 48]

Tweespalt

 
Soms trekken lichtloos haar pupillen samen:
 
de angst, als voor een afgrond, breekt mij neer.
 
Ik moet haar haten, met verdoemde namen
 
neem ik den waanzin aller teederheden weer.
 
 
 
Maar zie, zij glimlacht, en weer opgetogen
 
ik wandel vreesloos door een gouden steeg, -
 
gekooid, gehangen tusschen regenbogen
 
en lichte spiegels stroom ik zingend leeg.
prepostterug  begin  verder