[p. 50]
Nanacht
Op alpenmeren rees de zon.
Toen, in den schoot der liefste
slapend op bloemen tot ik niet meer kon
vervoering uit uw hellen waanzin wijken,
was één seconde wanhoop mij nabij.
Ik zag haar aanschijn en de geile aap
afgrijslijk die ons samenzijn beloert,
mijzelf, mijn zeere lenden in een slaap
gevloerd met beesten op het gif van lijken.
Mijn schrik vervaagde....
Pracht des lichaams
die vervoert tot waanzin in uw paradijs,
zijn dan uw liefste hemelrijken
eeuwig bedreigd door Hades' schande?
Of enkel dézen morgen in de banden
des Doods
en met de alpenmeren grijs?