[p. 52]
Gebed in 't Duister
Heer, behoed haar in de wereld
die ik lang mijn eigen noem.
In haar oogen staat bepereld
met uw eigen dauw de bloem
van een onverwelkbaar minnen
uit den grond der ziel geteeld.
En geen stervling zal bezinnen
op het eeuwig Aanvangsbeeld
'lijk uw knecht, die hare leden
in het schemerlicht onthult,
die zich, stamelend gebeden,
aan háár wil alleen vervult.
Lang voor 't eerste dagegloren,
lang na Venus' gouden schijn
kniel ik, uwe stem te hooren
uit die weelde, uit die pijn,
[p. 53]
uit dien tuin, bedekt, bedwereld
met een bloesem van Voorheen.
Heer, behoed haar in de wereld,
doe uw mantel om ons heen!