terug  begin  verderprepost
[p. 54]

Hart en Lied

 
Uit doem en uit ellende
 
rijst soms het rankste lied,
 
waar ik mij keer of wende,
 
mijn hart zingt als het riet.
 
 
 
Het heeft zich zelf geschonden,
 
zich zelf van walg vervuld,
 
maar op een enkle sponde
 
het teederste onthuld.
 
 
 
Vermorzeld in de vlagen
 
van lust en blind geweld,
 
doch tusschen droom en dagen
 
bij de engelen geteld.
 
 
 
Geblinddoekt in zijn wanen,
 
bedolven van zijn schuld,
 
lacht het door alle tranen:
 
het heeft een groot geduld.
 
 
[p. 55]
 
Een hand, een oog, de reken
 
van witte tanden vol,
 
de weeke keel, de beken
 
van haar dat stroomend zwol:
 
 
 
zij zullen zijn vergeten
 
en, levend nog, verwoest.
 
Maar eeuwig zal ik weten
 
dat ik hier kon en moest -
 
 
 
vernederd in ellende,
 
maar zingend als het riet -
 
een hart dat zich niet kende
 
doen bidden in mijn lied.
prepostterug  begin  verder