terug  begin  verderprepost
[p. 56]

Avondlijk Zwijgen

 
Hij dreef dien avond als een waterbloem
 
zoo koel en vredig in den grooten brand:
 
de lucht vol vlammen en een late doem
 
van doode droomen op het najaarsland.
 
 
 
De eenling zwemmend tot zich zelven sprak,
 
besteeg den oever, wreef zich met geril.
 
Een steen die viel kon nauw het spiegelvlak
 
met flauwe kringen breken en 't werd stil.
 
 
 
Hij wist: wanneer zijn mond de woorden zweeg
 
ging alles dieper, want de weg is ver
 
tot and're harten en de wereld leeg.
 
Zie, in die stilte rees de avondster.
prepostterug  begin  verder