terug  begin  verderprepost
[p. 12]

Afstamming

IN het archief der familie Buys Ballot komt een zeer uitvoerige genealogie voor niet alleen van het geslacht Ballot, maar ook van zeven andere geslachten, die door huwelijk hiermede verwant zijn. Deze genealogie is in een keurig, bijna gecalligrafeerd handschrift bijgehouden tot omstreeks 1880, waarna door anderen nog losse aantekeningen op inlegvellen of in potlood zijn toegevoegd. Bovendien werd geraadpleegd de genealogie van het geslacht Ballot in ‘Het Nederlandsch Patriciaat’, Dl. IV (1913). Enkele duistere punten konden nog opgehelderd worden door geschriften of drukwerken in het familiearchief.

Volgens deze gegevens is de stamvader van het geslacht de heer Louis Ballot, rechter te Mézières in Champagne, overtuigd Katholiek, zoals blijkt uit zijn bedoeling, zijn zoon Jacobus te laten opleiden tot Katholiek geestelijke. Tijdens deze opleiding werd Jacobus naar Aken gezonden, om daar Duits te leren. Nadat hij Duits pater was geworden, trok hij de wereld in als missionaris, en vertoefde daarbij o.a. te Regensburg, Augsburg, wellicht Wittenberg en Hildesheim, daarna te Soest. Hier bleek, dat hij ‘het catholicismus moede geworden was’. In Regensburg nam hij het Lutherse geloof aan. 18 December 1653 werd hij predikant te Lünen. Later huwde hij een dochter van de burgemeester van Iserlohn, Anna Elisabeth Quitmann. Het enige kind, dat volwassen werd, was Heinrich Gisbert. 20 Febr. 1679 kreeg deze het burgerrecht van Iserlohn en werd daar later lid van de gemeenteraad. Alleen van zijn jongste zoon Johann Stephan Simeon is het zeker, dat het geslacht werd voortgezet.

[p. 13]

Deze werd koopman te Iserlohn. Aanvankelijk was hij zeer welgesteld maar raakte later in moeilijkheden, zoals blijkt uit het testament, dat in het familiearchief aangetroffen werd. Daarin zag de zoon, die predikant te Middelburg was geworden, van zijn aandeel af.

Johann Stephan Simeon is tweemaal gehuwd geweest. De eerste maal met een Nederlandse vrouw, Anna Maria Visser, dochter van een postmeester te Doesburg. Vermoedelijk ligt hierin de aanleiding tot het verhuizen van een deel van het geslacht naar ons land. Het tweede kind, de eerste zoon uit dit huwelijk, was Christoph Hendrik Diederik, namen, die wij niet onder de voorouders aantreffen, zodat het vermoeden voor de hand ligt, dat zij uit de familie Visser stammen.

Deze zoon werd predikant in ons land en wel achtereenvolgens te Otterlo, 's Heerarendskerke, Sluis en Middelburg.

Merkwaardigerwijze wordt in alle genealogieën als derde voornaam Theodoor opgegeven. Vermoedelijk berust dit op een naamsverandering van onbekende oorsprong. Zeker is, dat in het bovengenoemde testament zowel als in een ander rechtskundig geschrift uit de nalatenschap de naam Diederik alleen voorkomt; bovendien in een lofschrift, na het overlijden van de predikant te Middelburg door een vereerder (P.J.H.?) uitgegeven, uit welk lofdicht blijkt, hoe geliefd deze predikant daar was geweest.

Naast zijn predikambt heeft de Middelburgse predikant zich ook op ander gebied verdienstelijk gemaakt. Zoals meer voorkomt bij de gestudeerden in die dagen, had ook hij een grote voorliefde voor de natuurkunde. Dit leidde ertoe, dat hij professor werd in experimentele natuurkunde aan het Atheneum te Middelburg. Als zodanig hield hij ook voordrachten voor het Genootschap der dames.

Wij vermelden alleen terloops, dat de jongste zoon uit het tweede huwelijk van Johann Stephan Simeon predikant werd aan De Kaap, en dat diens enige zoon ook voor predikant studeerde te Leiden; de laatste moet in Zuid-Afrika nog een talrijk geslacht hebben nagelaten.

[p. 14]

Na een huwelijk met Barbara van der Aa, die bij de geboorte van een dochter met haar kind overleed, huwde Christoph Hendrik Diederik op 31 October 1784 Anna Petronella Buys, dochter van een koopman te Rotterdam, Anthony Buys, later ook schepen van Rotterdam, en zoon van Jacob Buys, koopman en burgemeester van Klundert.

Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Anthony Jacobus, die dus de namen van vader en grootvader van moederszijde heeft gekregen, en Jacob, later koopman en commandant der schutterij in Rotterdam.

Volgens sommigen zou Anthony Jacobus als derde voornaam Buys hebben gekregen. Volgens de genealogie uit het familiearchief heeft hij na het overlijden van zijn schoonvader de naam Buys bij de zijne gevoegd. Zo is dus voor zijn nakomelingen de naam Buys Ballot ontstaan. De niet-talrijke nakomelingen van Jacob (zijn meeste kinderen stierven vroeg of bleven ongehuwd) droegen alleen de naam Ballot.

Anthony Jacobus Buys Ballot werd geboren te Middelburg 19 Maart 1786 en huwde op 8 Maart 1815 Françoise Geertruida Lix Raaven.

Uit dit huwelijk is als enig kind geboren Christophorus Henricus Diedericus, die de verlatijnste namen draagt van zijn grootvader, de predikant te Middelburg.

Hiermede is dus de afstamming tot in het zevende geslacht vastgelegd. Ofschoon Buys Ballot dus, voor zover het de ouders en grootouders betreft, van zuiver Hollandse, speciaal Zeeuwse stam was, hebben reeds in rechte lijn in de oudere generaties Duitse en Franse invloeden meegewerkt. Van moederszijde komt in de oudere generaties ook Curaçao voor. Men houde dit in het oog, wanneer men zoekt naar de verklaring van het feit, dat deze Hollandse predikantenzoon later tot natuurkundige studie overging en zich met groot gemak van vreemde talen bediende.

Wij willen thans iets uitvoeriger vader en moeder schetsen.

 

Anthony Jacobus Buys Ballot werd predikant op 30 October

[p. 15]

1814, dus op achtentwintigjarige leeftijd. Zijn eerste standplaats was Standdaarbuiten, in Noord-Brabant. Na zijn huwelijk in 1815 trok hij naar Kloetinge, in 1820 naar St. Laurens op Walcheren, in 1823 naar Brakel in de Bommelerwaard, alle kleine gemeenten, maar de laatste waarschijnlijk aantrekkelijk wegens het niet al te ver verwijderde gymnasium te Zaltbommel. Te Brakel bleef hij in functie tot zijn emeritaat in 1850.

Men kan hieruit reeds afleiden, dat er geen grote roep van hem uitging. Ook blijkens enkele nagelaten preken bij bijzondere gelegenheden was hij een vroom, rechtzinnig man, maar zonder grote gaven des woords. In Brakel was hij niettemin zeer gezien, zoals bleek bij zijn vijfentwintigjarige ambtsvervulling in 1839. Hij leefde mee met alle lief en leed van de gemeente. Tweemaal was er watersnood in die tijd. Hij spande zich in, allerwegen giften te verzamelen, en spoorde ook zijn zoon aan, dat in de kringen van de hogeschool te doen.

Dominee Buys Ballot was een nauwgezet man, die veel brieven en aantekeningen bewaarde en daarbij onderwerp en datum van ontvangst aantekende. Zo konden wij kennisnemen van de volledige correspondentie met het gezin van zijn zoon tijdens diens eerste huwelijk; ook veel brieven van ambtgenoten en vrienden zijn bewaard gebleven. Uit deze brieven blijkt, dat hij zich van zijn tekortkomingen bewust was; met bewondering, niet zonder enige afgunst, spreekt hij van predikanten, die de gemeente naar hun hand kunnen zetten.

Overigens blijkt uit deze brieven een grote belangstelling voor strijdvragen op het gebied van de leer, maar ook van de politiek, en tevens grote kennis van en belangstelling voor klassieke literatuur. Waarschijnlijk is dit laatste de aanleiding geweest, dat zijn zoon aanvankelijk letteren ging studeren. Een roeping voor het predikambt heeft hij blijkbaar niet gehad, al bleef hij zijn gehele leven een godsdienstig mens en een trouw kerkganger.

Als het merkwaardigste dokument kwam ons de brief voor, die de vader aan zijn zoon schreef, toen deze tot hoogleraar was benoemd. ‘Duizendmaal gelukgewenst...’ en dan is verder de hele brief vol

[p. 16]

met de faits divers van Brakel, tot aan het slot vermaningen komen om te bedenken, dat het geloof toch steeds nummer één moet blijven. Buitengewoon bezorgd was de vader ook voor familieverplichtingen: trouw worden dan ook steeds alle tantes, ooms, nichten en neven bij bijzondere gelegenheden door de zoon bezocht. De vader was een vermogend man. Tijdens zijn studie had hij vriendschap gesloten met een lid van het geslacht Mees te Rotterdam, bij wie een belangrijk bedrag aan effecten (veel Russische) in bewaring was.

Hij behandelde alle financiële transacties voor zijn zoon, die een grote afkeer van ‘gescharrel met geld’ had, zond hem de nodige geld middelen, maar niet zonder daaraan af en toe aanmaningen tot zuinigheid toe te voegen, speciaal bij het aanschaffen van boeken; later, met meer reden, wanneer familieleden of kennissen misbruik maakten van de vrijgevigheid en het te grote vertrouwen van de zoon.

Wellicht heeft de vader zelfs zijn vrouw onkundig gelaten van de staat van zijn vermogen of had deze daarin niet het juiste inzicht. Het is anders moeilijk te begrijpen, dat deze bij de verhuizing naar Utrecht de vrees uitdrukt, dat zij na het verlies van de pastorie en het predikantstraktement niet zullen kunnen rondkomen. Op het totale budget moet toch dat traktement slechts een kleine post uitgemaakt hebben.

Vaders gezondheid liet in de laatste tijd voor zijn emeritaat veel te wensen over, zonder dat blijkbaar voldoende medische hulp werd gezocht. Op de dag, dat hij afscheid zou nemen van zijn gemeente, ligt dominee te bed! Het verblijf te Utrecht, zo zorgvuldig voorbereid bij het zoeken van een geschikte woning, heeft niet lang geduurd. Hij overleed 13 Januari 1851, ruim 65 jaar oud.

Geertruida Françoise Lix Raaven wordt beschreven als een zeer verstandige vrouw met een zacht karakter. Zij werd geboren 28 Mei 1790. Als dochter uit een gezin met elf kinderen heeft zij vermoedelijk in haar jeugd al geleerd, aan te pakken en spaarzaam te zijn, welke laatste deugd haar bijbleef, ook toen het niet meer zó nodig was. Haar brieven zien er zeer ongeletterd uit, maar tonen

[p. 17]

een hart op de rechte plaats. Zij is verrukt, wanneer in de wekelijkse brieven van haar schoondochter ‘Buys’ ook een woordje heeft geschreven, al bepaalt dit zich soms tot een excuus, dat hij laat van een vergadering kwam en geen tijd meer had.

Uit alles wat wij van haar vernemen blijkt, dat haar zoon volkomen naar waarheid getuigde, toen hij na haar overlijden schreef:

Wie herinnert zich niet haar grote eenvoudigheid, haar ongestoorde blijmoedigheid, de blijdschap, waarmee zij ieder ontving, en waarom zij ieder zo waard was. In haar omgeving stichtte zij vrede, liefde ademden haar gesprekken; tot godsdienst vuurde zij aan. Weemoedig; maar dankbaar voor de tijd, dat wij zulk een moeder mochten behouden, ogen wij haar na, haar beeld ons steeds ter navolging voorstellende. Zo alleen kunnen wij aan hare liefde beantwoorden’.

Zij overleefde haar man nog acht jaar, zodat zij het tweede huwelijk van haar zoon nog beleefde. In die tussentijd zal haar liefde vooral zijn uitgegaan naar het kleinkind, dat na het overlijden van de eerste vrouw onder de hoede van dienstpersoneel achterbleef. In een brief van haar zoon is sprake van een zware ziekte, waarvan zij nog herstelde. In 1850 was zij reeds tamelijk doof, in 1856 was zij lijdende; in haar verjaarsbrief aan haar zoon schrijft zij: ‘ik kan thans niet bij u komen’. Haar laatste levensjaren zijn dus moeilijk geweest. Zij overleed 19 Januari 1859.

prepostterug  begin  verder