terug  begin  verderprepost
[p. 38]

Docent aan de Utrechtse universiteit

GEEN wonder dat men een zo universeel ontwikkeld man aan de universiteit wenste te behouden. Reeds in Juli 1845 werd hij lector, merkwaardigerwijs in mineralogie en geologie, vakken waarvan alleen het laatste ook onder de stellingen voorkomt. Dit verhinderde niet, dat reeds in 1846 een verhandeling over de afhankelijkheid van de kristalvorm der mineralen van hun atomen verscheen, zodat hij ook op dit gebied zijn inzichten over de invloed der moleculaire structuur op de stof tot uiting wist te brengen.

In 1846 werd hij lector in theoretische chemie, een vak, dat na verwant was aan de stof in zijn Physiologie behandeld. Wij vermeldden reeds, dat hij deze gelegenheid aangreep, om zijn inzichten aan de studerenden mede te delen. Groot was zijn succes daarbij niet, zoals bleek uit klachten aan zijn ouders over slecht collegebezoek, waarop de vader reageerde met de vraag, of hij ook te moeilijk of niet duidelijk genoeg was. Blijkbaar slaat daarop een passage uit de inleiding tot de ‘Schets’: ‘Wij stelden ons toehoorders voor die de waarheden der natuur- en scheikunde kenden en tevens de beginselen van de theorie der hoogere magtsvergelijkingen en analytische geometrie. En wie anders zal het wagen een collegie te gaan hooren, dat onder den naam van “theoretische scheikunde” aangekondigd wordt?

Een in die tijd volkomen nieuw vak, maar waartoe hij de aanstaande hoorders opwekte met zijn toespraak: ‘Over de noodzakelijkheid eener veelzijdige beoefening der wetenschap’ - een les, die hij-

[p. 39]

zelf tot zijn levenseinde ter harte heeft genomen. Wij vermeldden reeds zijn tafels voor het chemisch practicum, in 1843 gepubliceerd. Zij werden in 1846 gevolgd door dergelijke tafels voor de organische chemie, op zijn eigen kosten uitgegeven en waaraan ontzettend veel arbeid ten koste is gelegd.

16 November 1847 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de wiskunde, een vak, dat hij vlijtig beoefend had, zonder tot bijzondere ontdekkingen te zijn gekomen. Ook in zijn inaugurale rede: ‘Het karakter der rede uitgedrukt in de wiskunde’ toont hij zijn bespiegelende geest, blijkend uit de volgende aanhalingen:

als wij ons aller streven nedergelegd denken in bases aan het oppervlak van een bol, zoodat de eene wetenschap een plaats beslaat naast de andere, begrensd door deugden en betrachtingen en nemen wij aan, dat bij den bouw van daarop gegrondveste pyramiden de assen gericht zijn naar het middelpunt, dan zal er bij een voortgaanden bouw meer aanraking tusschen allen bestaan en een maximum aanraking in dàt middelpunt, dat voor ons heet: “Waarheid”, waardig symbool van het Absolute’.

Dat wij naar dit laatste streven, zonder het ooit te bereiken, was hem duidelijk. Hierop doelt de volgende passage:

Verbeeld U bij de geboorte op een mathematisch punt te staan en vervolgens met een straal gelijk aan Uw kennis daaromheen een cirkeltje beschreven, dan kan dit wel telkens grooter worden, maar met den inhoud vergroot ook de omtrek, die de scheiding uitmaakt tusschen ons weten en ons niet-weten; hoe meer wij dus uitbreiden, hoe grooter die aanraking zal zijn met hetgeen wij niet weten en zoo zal zeker hij, die het meest denkt te weten, tevens moeten erkennen, dat hij niets weet’.

Lievelingsvak is de wiskunde hem zeker niet geweest, en later heeft hij zich beklaagd in een brief aan Van der Stok: ‘want o die mathesisjaren; wat hebben zij mij een leemte bezorgd in mijne chemische kennis’.

Maar plichtsgetrouw heeft hij zich met de verbetering van het onderwijs bezig gehouden, wat blijkt uit een werk op de grens van de wiskunde en de astronomie van 1849 en een ‘Beginselen der meetkunde’, waarvan in 1855 de tweede druk verscheen.

Dit was het gevolg van zijn indruk, dat de wiskunde en speciaal de

[p. 40]

meetkunde niet voldoende wetenschappelijk werd onderwezen: ‘zoolang de Hoogeschool nog niet hoog genoeg zal zijn opgevoerd om de beginselen der meetkunde bekend te veronderstellen, zoolang moet die wetenschap tenminste als wetenschap worden onderwezen en mag zij toch daarin niet tot den rang van lagere school afdalen’. Volgens Julius was het boek dan ook allerminst gemakkelijk voor beginners.

Op 6 April 1855, dus op zevenendertigjarige leeftijd, werd hij benoemd tot lid der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, een nieuw bewijs, dat zijn bijzondere aanleg toch wel erkend werd.

In 1857 werd hij gewoon hoogleraar, doch eerst in 1867, bij het aftreden van Van Rees, werd de natuurkunde zijn domein. Twintig jaren is hij dus afgehouden van zijn eigenlijke liefde. In 1887, na het vieren van zijn veertigjarig jubileum, schreef hij aan Van der Stok:

Van 't Hoff sprak mij aan, als gij voor 15 jaren. Het deed mij groot genoegen, dat de physica en de physiologie van het onbewerktuigde rijk der natuur niet vergeten werden.

Dáar toch ligt eigenlijk mijne liefde en als ik emeritus ben en wat meer tijd heb, dan geef ik nog eens een toelichting op het voortreffelijke boek van Ostwald’.

In 1877 opende hij het nieuwe Natuurkundig Laboratorium met een toespraak: ‘Het gewicht der waarnemingen voor de Natuurkunde als grond onzer kennis en toetssteen der Bespiegeling’.

Wij komen op deze rede, die een voortdurende aansporing bevat, om waarneming en bespiegeling in volledige samenwerking te beoefenen, later nog wel terug.

Maar met deze opsomming is de lijst van zijn leeropdrachten nog niet volledig. In 1853 werd op het terrein van het observatorium op Zonnenburg een sterrenwacht gebouwd, ter vervanging van die op de Smeetoren, later afgebroken; tijdelijk heeft hij toen colleges in sterrenkunde gegeven op voorstel van Van Rees in zijn kwaliteit van observator aan de sterrenwacht. Later in de jaren 1873 en 1874 nogmaals ter vervanging van de nieuw benoemde hoogleraar Oudemans, die eerst geodetisch werk in Indië afmaakte.

[p. 41]

Na zijn aftreden in 1888 na het bereiken van de zeventigjarige leeftijd bleef hij nog hoofddirecteur van het Meteorologisch Instituut, zodat hij bij zijn overlijden zes en dertig jaar aan het hoofd van die instelling had gestaan.

Van de degelijke wijze, waarop Buys Ballot zich op de hoogte hield van de vorderingen der vele wetenschappen, die hij moest doceren, getuigt een grote verzameling van portefeuilles met literatuuraantekeningen, gewoonlijk van uittreksels voorzien, en ook wel van critiek. Deze aantekeningen zijn tot kort voor zijn overlijden voortgezet.

Waarom zijn colleges niet algemeen in de smaak vielen, wordt door verscheidenen van zijn later tot belangrijke ambten geroepen leerlingen als volgt toegelicht.

V.A. Julius, later zijn opvolger als hoogleraar in de physica, schreef in zijn levensbericht: ‘Op het college was het voor de jongere studenten wel moeilijk, Buys Ballot te volgen, omdat hij zijn auditorium gewoonlijk te hoog aansloeg. Maar wat hij als leermeester beteekende, konden zij ondervinden, die nader met hem in aanraking kwamen. Vooral in het vriendschappelijk gesprek wist hij overvloediglijk van zijn rijke kennis mede te deelen en krachtig op te wekken tot zelfstandige studie’.

Slechts enkele malen is Buys Ballot als experimentator opgetreden. Niet omdat hij de waarneming niet hoog stelde. Integendeel, hij was doordrongen van de waarheid, dat bespiegeling zonder waarneming onvermijdelijk op de verkeerde weg moet voeren; maar hij kende zich zelf voor het verrichten der waarnemingen de geschiktheid niet toe. Anderen spoorde hij er steeds toe aan en het was hem een grote vreugde, als er onder zijn leerlingen waren, die een oorspronkelijk experimenteel onderzoek volbrachten.

In de necrologie door J.P. van der Stok, jaren lang directeur van het Magnetisch en Meteorologisch Observatorium te Batavia, en daarna nog meer dan twintig jaar verbonden aan het Instituut te De Bilt als Directeur der afdeling Waarnemingen ter zee, de latere Vierde Afdeling, geeft deze daarin de volgende karakterschets van Buys Ballot's voordracht:

Naast een groote, natuurlijke welsprekendheid, waar het betrof redevoe-

[p. 42]

ringen van algemeenen aard of zelfs inleidingen tot speciale onderwerpen, een eloquentie pittig en frisch, die steeds een welgemeend applaus te voorschijn riep, een geringschatting van de dagelijksche leerstof, die leidde tot gemis aan duidelijkheid en afwezigheid van het boeiende, waarmede een geboren docent ook minder opwekkende onderwerpen weet te tinten.

Het gebrek aan gave tot doceeren toch verhinderde geenszins dat Buys Ballot een buitengewoon bekwaam en daardoor ook echt humaan, echter volstrekt geen gemakkelijk, examinator was, die zich binnen kort een volledig inzicht wist te verschaffen omtrent de waarde van een examinandus en tegen wiens oordeel niemand ooit in verzet kwam.

In de tweede plaats had Buys Ballot de hierop steunende, maar altijd grootendeels op intuïtie berustende gave om, buiten een examen, de capaciteit voor toekomstig werk bij zijn leerlingen te schatten.

Leerlingen, ambtgenooten, en vreemdelingen, allen kwamen onder de groote bekoring, die er altijd uitgegaan is en uitgaan zal van hem, die met ziel en geest een ideaal nastreeft’.

Als derde en uit een geheel andere kring, buiten de natuurkunde, citeren we A.A.W. Hubrecht, eerst hoogleraar in de zoölogie en later buitengewoon hoogleraar in de embryologie:

Daarbij kwam, indien ik mij niet bedrieg, dat de groote bescheidenheid, die Buys Ballot zoo bijzonder kenmerkte, hem bij zijn onderwijs nog wel eens parten speelde, hem weerhield van zeer besliste uitspraken, hem somtijds meer kennis van grondwaarheden bij zijn auditorium deed veronderstellen, dan daar werkelijk aanwezig was. Hij zou ons nooit hebben willen toonen dat hij de noodzakelijkheid veronderstelde sommige waarheden nogmaals en nogmaals voor ons te herhalen; daardoor onthield hij ons wel eens den verbindenden draad, als wij dien in een onbewaakt oogenblik uit de gedachten hadden laten glippen.

Voor achttien jaren werd ik door hem voor het candidaatsexamen getenteerd. Dit tentamen duurde ruim twee en een half uur; levendig herinner ik mij hoe veel de examinator in die uren aan den examinandus wist mede te deelen in verhouding tot het weinige, dat hij uit dezen te voorschijn haalde of van hem eischen wilde... Kenschetsend voor Buys Ballot, wanneer hem het een of ander bevrediging of genoegen gaf, was een snel, zich al glimlachend in de handen wrijven. Dat hij daarmede op tentamen

[p. 43]

en examen niet karig was, verlichtte de bedruktheid der examinandi belangrijk. Een goed antwoord werd door Buys nooit voor notificatie aangenomen, maar lokte levendige bewijzen van goedkeuring en instemming uit, en tot mijn dood zal mij daardoor - en daardoor alléen - bijblijven dat een magneetstaaf sterker magnetisch is in het midden dan aan de polen’.

prepostterug  begin  verder