terug  begin  verderprepost
[p. 141]

Bijlage II
Kopie van de brief van Buys Ballot van 19 Juli 1852.

Aan Zijne Excellentie

den Minister van Binnenlandsche Zaken.

 

Naar aanleiding van de missive van den Min. van B.Z. (in dato 9 Julij 1852 no 169, 6de Afdeeling, Nijverheid) heb ik de eer aan Zijne Excellentie de volgende beschouwingen voor te dragen: Sedert eenigen tijd, weinige jaren nadat door den grooten Von Humboldt de aanstoot gegeven was, zijn, onder zijne leiding, en onder die van den beroemden Gauss, Meteorologie en Magnetismologie begonnen wetenschap te worden. De kennis van vele zaken daartoe behoorende, is gerangschikt, en de verschijnselen zijn in verband gebragt van oorzaak en gevolg. Nauwelijks mogten die twee vakken van kennis wetenschap heeten, of ook op dit maatschappelijk leven werkten zij weldadig terug. De toepassingen waren gewigtig voor scheepvaart en handel; zij zullen bij verdere ontwikkeling der wetenschap ook voor landbouw en fabriekwezen van groot belang worden. Zij kunnen echter die ontwikkeling niet erlangen, en dus ook die toepassingen niet geven, zonder dat de waarnemingen op vele plaatsen, doelmatig op de oppervlakte der aarde gekozen, gedaan of onmiddellijk in een middelpunt vereenigd worden, of naar meerdere plaatsen gedeeltelijk worden heengezonden, van waar dan weder de uitkomsten naar éene plaats, dat algemeene middelpunt, verzameld en op doelmatige wijze worden publiek gemaakt.

[p. 142]

Een algemeen middelpunt te Utrecht te vestigen reken ik voor eenen tijd mogelijk, maar niet op den duur, daar de naijver der natiën dit niet zou dulden. Hierop zou ook Engeland om de groote toelagen, die het voor Meteorologie en Magnetisme heeft overgehad, de eerste aanspraak hebben, en wat persoonlijke verdiensten aangaat zou Professor Dove in Berlijn de meeste titels hebben om wat von Humboldt aanwees uit te voeren.

Dat Utrecht evenwel een merkwaardig punt kan worden, is met hooge waarschijnlijkheid aan te toonen uit de brieven en betuigingen van de Directeuren der Meteorologische en Magnetische waarnemingen in Engeland, Oostenrijk, Beijeren, België, en de medewerking van Pruissen, waardoor nu reeds te Utrecht meer waarnemingen vereenigd zijn en publiek gemaakt dan ergens buiten Pruissen, en nergens zoo spoedig na het voorkomen der weerstoestanden, noch ook ergens in dien vorm, die toch een zeer aanbevelenswaardige is. Voor magnetisme heeft men het vroeg ingezien, dat de vorm een dergelijke moest zijn, voor meteorologiebeweer ik zulks.

Werkelijk is het bevorderen van Meteorologie als wetenschap van hoog belang. Nog gisteren ontving ik van den heer Maury, Superintendent U.S. North America, een brochure waarin aangetoond wordt, hoe de Meteorologie hier en daar kortere wegen over den Oceaan heeft leeren kennen, terwijl het bekend is, hoevele bodems zij voor den staat heeft behouden, waar de vroeger gevreesde orkanen ze aanvielen. Ter staving van deze bewering, welke ik niet geloof dat hier de plaats is om te bewijzen, voer ik aan de duidelijke teekenen van belangstelling, door de overige rijken gegeven, Engeland besteedt jaarlijks duizenden ponden sterling, zoowel de British Association for the advancement of Science, als de Admiraliteit; Amerika heeft zich uitermate ijverig betoond; Rusland geeft groote sommen om allerwege waarnemingen te laten doen.

Ook de niet zeevarende Mogendheden, die nog in de wetenschappen een rang mogen bekleeden, hebben of reeds sedert eenigen tijd een Meteorologisch Instituut opgerigt, zooals Pruissen,

[p. 143]

dat er ineens 3000 Thaler, en van 1848 af jaarlijks 3000 thaler aan te koste legt, of zij zijn bezig zulk een in orde te brengen. Oostenrijk zal de waarnemingen van tachtig stations verzamelen, Beijeren ook van vele plaatsen. Het telegraphennet zal in beide rijken gelijk nu reeds lang in Engeland, dienstbaar gemaakt worden aan het overbrengen van Meteorologische berigten, opdat de tijding stormen en onweders voorbij ijle, en tijdig waarschuwe, gelijk in de havens van Noord-Amerika werkelijk geseind wordt als een storm nadert, opdat de schepen haar niet verlaten, spoedig zich daarin bergen, of zoo de tijd te kort is, de volle zee kiezen. België heeft naar evenredigheid zijne meteorologische waarnemingen op zeer groote schaal ingerigt. Het Observatorium te Brussel is met dat te Greenwich het beste dat ik ken. De Directeur heeft mij nu onlangs alle mededeelingen, die ik zou wenschen, toegezegd. In Frankrijk heeft zich eene Vereeniging gevormd, die van allerwege meteorologische waarnemingen verzamelde, die ook werkelijk in sommige Departementen door het aankondigen van overstroomingen en dergelijke nut heeft aangebragt, maar die niet is ondersteund, die naar het schijnt, nu is ontbonden, waarlijk niet tot eer der fransche Akademie, die dan ook in het vak van Meteorologie zeker geen gezag heeft. Frankrijk wordt ten opzigte der Meteorologie niet dan met oneere genoemd. In Nederland heeft er eene vereeniging van waarnemingen door de welwillendheid van velen kunnen tot stand komen. Op de goede grondslagen, door Wenckebach gelegd, heb ik dadelijk zoo kunnen voortbouwen, dat de wijze van mededeeling, ofschoon aanvankelijk door de meening der Meteorologen niet goedgekeurd, nu ingang begint te vinden. De ondersteuning van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, en vooral die van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, heeft het mij mogelijk gemaakt zonder te groote opofferingen de zaak aan te vangen en uit te breiden. Zonder meerdere uitbreiding is zij slechts als voorbeeld voor anderen van gewigt, maar tot verdere uitbreiding en instandhouding zijn meerdere middelen noodzakelijk. Vooral nu ons Rijk zich welhaast zal mogen verheugen in een aan-

[p. 144]

sluiting met de omringende Rijken, daar de hindernissen tegen spoorwegen en telegraphenliniën gelukkig overwonnen zijn, kan de uitbreiding meer vruchten gaan dragen voor meteorologie; en wat de waarnemingen ter zee aangaat, zoo zijn er voorzeker weinige Rijken welke meer belang hebben bij hare verzameling en bewerking maar waaraan natuurlijk onkosten verbonden zijn. Een gedeelte dier werkzaamheden zou door een zeeman moeten bestuurd worden, maar dan ook zou van de zijde der wetenschap groot nut voor de scheepvaart en handel, welke allengs meer van de kwellende belemmeringen ontheven worden, kunnen worden aangebragt. Een bewijs vindt men in de Sailing Directions van den heer Maury, waarbij een schoon stel kaarten. In de derde uitgaaf in November van het vorige jaar vindt men telkens aangegeven het gemiddeld aantal dagen, waarin verschillende reizen door schepen van verschillende natiën zijn afgelegd, en telkens springt het in het oog, dat de schepen die deze kaarten niet aan boord hadden, kaarten, welke niet anders dan door vereeniging van zeewaarnemingen hebben kunnen ontstaan, vele dagen of weken meer hebben noodig gehad, al naar gelang van de grootte der reis. Die kaarten zijn goed, maar zeker nog niet volmaakt. Alleen andere natiën te laten zamenbrenen, en dan eerst zelf de uitkomsten te gebruiken, zou reeds niet zeer lofwaardig voor Nederland zijn; maar daarenboven, Nederland kan zelfstandig voorwaarts treden, en voor die voordeleen andere in ruil geven. Zonder aarzeling durf ik beweren dat voortgezette waarnemingen nog meer dan een tiende op elke reis zullen doen besparen. Op de tijdige waarschuwing en de reddende hulp die de Meteorologie verleent aan hen, die door orkanen anders zouden te gronde gaan, heb ik vroeger reeds gewezen, en door een verspreiding eener vertaling van Sedgwick ieder opmerkzaam gemaakt.

Van de waarnemingen op het vaste land kan ik niet zoo bepaald vruchten aanwijzen, daarom zal ik ze ook niet beloven; - wie zal er aan twijfelen? Geen methode zal ze spoediger, rijker en rijper geven, dan die welke ik nu vele jaren geleden aanbeval en bijna vier jaren in het klein volgde. -

[p. 145]

Beloofd hebbende de belangen van de wetenschap en van het Rijk steeds naar vermogen te zullen bevorderen, moet ik mij tot de hooge Regeering wenden in eene zaak, welke een bijzonder persoon niet op den gewenschten voet kan brengen. Andere bijzondere Personen vinden het wel goed met den mond, maar zijn niet gezind er geld voor uit te geven. In geen geval heeft zulk eene onderneming voldoend gezag, als zij niet van de Regeering uitgaat, en zoo vraag ik dan aan de Nederlandsche Regeering om Nederland, tot voor weinig tijds het verst in Meteorologisch opzigt gevorderd, wederom voorwaarts te doen treden. Men zal Nederland niet vooruit laten blijven, maar toch zal Nederland een tijd lang de Gids zijn. De toon in Nederland aangeheven zal door de wereld weerklinken. Zijne roepstem zullen allen volgen als die uitgaat van een Nederlandsch Meteorologisch Instituut. -

 

Met de meeste onderscheiding heb ik de eer mij te noemen

Uwer Excellentie Dw. Dienaar

 

(get.) C.H.D. Buys Ballot

prepostterug  begin  verder