terug  begin  verderprepost
[p. 146]

Bijlage III

Dept van Marine

/Afd.

/Bur.

no. 21

 

's-Gravenhage, 16 Aug. 1854

 

Aan den hoogleeraar hoofddirecteur van het

Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut,

Utrecht.

 

Ik heb ontvangen eene missive met bijlagen van den Directeur der Afdeeling Zeevaart bij het Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut, in dato 14 dezer no. 10.

Uit den inhoud dier missive welke ik de eer heb Uw Hooggel. hierbij in originali te doen toekomen, schijnt het mij toe dat genoemde Directeur niet volledig bekend is geweest met de Instructie die zijn werkkring aan het Instituut aanwijst, hetwelk evenwel eene wenschelijke zaak zoude geweest zijn.

Het zal mij aangenaam zijn op de onderscheidene punten in dien brief aangehaald, Uw berigt, met terugzending der stukken, te mogen ontvangen.

 

De Minister van Marine

J. Enslie.

[p. 147]

Utrecht, Aug. 1854

 

Aan Zijne Excellentie

den Minister van Marine

te 's-Gravenhage.

 

Bij mijn terugkomst alhier vond ik Uwer Excellentie missive van 16 Aug. jl. /Afd./Bur. no. 21 met de stukken door den heer Directeur der Afd. Zeevaart aan Uwe Exc. opgezonden, waarbij dan mijnes inziens door genoemden Dir. een copie had behoord, nu door mij toegevoegd, van mijn schrijven van 13 Aug. aan ZEd. Gestr. geschreven, daar die het juist is welke kennelijk aanleiding heeft gegeven tot het schrijven van ZEd. Gestr. aan Uwe Excellentie. Daarmede heb ik mijn verzuim willen herstellen, nu door Uwe Exc. teregt vermoed en opgemerkt, dat ik niet in allen deele de Instructie aan ZEd. Gestr. had kenbaar gemaakt. Wel had ik dadelijk officieel de instructie van den Directeur der Zeevaart volledig aan ZEd. Gestr. toegezonden, maar niet de beide artikelen in de algemeene bepalingen en in de instructie van den Hoofddirecteur:

De Directeuren zijn ondergeschikt aan den Hoofddirecteur wien zij gehoorzaamheid en verantwoording hunner werkzaamheden verschuldigd zijn, en de Hoofddirecteur bepaalt den vorm en de volgorde der werkzaamheden.

Het is Uwe Excellentie bekend dat ik pogingen heb aangewend om die beide uitdrukkingen te verzachten, voordat zij in de instructie opgenomen werden. Ik had niet gedacht ooit van deze artikelen te zullen moeten gebruik maken en wilde niet iemand kwetsen, die zoovele verdiensten in andere opzigten en wegens het tot stand brengen der Zeeafdeeling had. Daarenboven volgden beide bepalingen reeds implicit uit de verordening in de instructie voor den Directeur der Zeevaart vervat:

Voor elken vierkanten graad of grooter deel van den oceaan door den Hoofddirecteur te bepalen enz.

Ik heb de eer aan Uwe Excellentie de volgende opmerkingen

[p. 148]

mede te deelen, nu ik tot mijn diep leedwezen mij genoodzaakt zie, mij tegenover iemand te stellen, met wien ik steeds getracht heb in gemeen overleg te handelen.

Volstrekt vermeet ik mij niet te beweren, dat ik een scheepsjournaal zoo goed zou verstaan als een zeeofficier, en gaarne erken ik dat (dit) een van de redenen is waarom zeeofficieren en bevaren klerken aan het Instituut geplaatst zijn; een andere reden is om koersen op te maken uit het verzamelde, iets waaraan geen ander dan een zeeman zich zou wagen; maar de wijze van verzamelen, het ordenen en doelmatig verbinden is het werk der wetenschap, en daarom moet de zeeofficier, een zuiver practisch man, te rade gaan met den meteoroloog. Het verdienstelijke van Maury's arbeid ware nog hooger te schatten, indien hem de vorderingen der wetenschap vollediger waren bekend geweest.

Nog een ander doel van het detacheeren van een zeeofficier is, omdat die beter met andere zeeofficieren waarmede het Instituut telkens in aanraking komt kan handelen en vooral om bij den zeeman het vertrouwen te vestigen waarop ik in mijn circulaire van 3 Febr. jl. zoo uitdrukkelijk wees, echter altijd, wat de Directeur der Zeevaart schijnt over het hoofd gezien te hebben, tevens aanduidende dat de wetenschap wel niet zou dwingen, maar toch zou leiden. Dat is hare roeping! de praxis moet alles afwijzen wat nog niet genoeg bevestigd is maar zelve vinden kan zij slecht zonder de hulp en de aanwijzing der wetenschap.

Het is Uwe Excellentie bekend hoe de titel van Directeur aan het hoofd van de beide afdeelingen gegeven is. De heer Jansen had vroeger in brieven aan mij slechts van assistenten gesproken, maar waar Directeur staat naast Hoofddirecteur volgt toch dat de eerste niet geregtigd is om alles eigenmagtig en zonder medewerken van den laatsten te doen. Buiten dien noem ik het dirigeeren indien men wel eerst met een ander overlegt, over de zaak spreekt, maar dan ook vrije hand heeft om het gevallen besluit te doen uitvoeren en er op toe te zien. Het is nooit mijn plan geweest, mijne beschouwingen van den aard der werkzaamheden door te drijven, maar ik eisch dat men mijne redenen voor en tegen eene methode aan-

[p. 149]

hoore en beantwoorde, het eerste heb ik nooit gedaan, het laatste zal ik blijven doen zoolang Uwe Excellentie dit zal goedkeuren. Het schijnt mij niet toe dat iets van hetgeen ik hier schreef tegen de circulaire strijdig is, maar wel dat deze beschouwing niet overeenkomt met die welke mij toegedicht wordt ofschoon ik volgens de instructie het regt zou hebben die te voeden; dat ik in mijn brief van 13 Aug. van gehoorzaamheid sprak, waarop het goedvinden van bevelen schijnt te zinspelen, heeft mij zeer tegen de borst gestuit maar moest ik doen, omdat ik meende of geheel voor den Directeur der Zeevaart te moeten zwichten of het wapen te moeten gebruiken dat Uwe Excellentie mij in de hand gaf maar dat ik tot hiertoe en naar Uwer Exc. aanmerking te lang in de schede verborgen had gehouden. Door dien brief hoopte ik nog de gelegenheid te geven tot herstel van de weigering van 4 Aug.

Op de ongerijmde beschuldiging of liever vrees dat ik mij zou sieren met de eer der Marine zou ik het stilzwijgen bewaren, indien niet mijne achting voor het Wapen het noodig maakte te herinneren dat wel de heer Jansen mij te Brussel verzweeg maar dat ik zijnen naam door Europa heb vermeld; het was mij onaangenaam toen Uwe Exc. en Z. Exc. de Minister van Binnenlandsche Zaken mij opdroeg alle stukken te teekenen. Dit bevelen eerbiedig ik maar overal heb ik zorg gedragen dat ik den Directeur der Zeevaart de eer gaf voor alles wat hij gedaan heeft, en dat hij niet een enkel woord heeft geschreven dat ik mij zou hebben toegeeigend.

Zoo doet het mij een waar genoegen den ijver en gevatheid te erkennen waarmede de Directeur der Zeevaart Reeders en Kapiteins voor de zaak heeft weten te winnen, maar ik ontken dat dit is geweest in weerwil van mijn tegenwerking want ik ben mij niet bewust éene enkele handeling van den heer Directeur te hebben tegengewerkt, behalve dat ik in Maart geweigerd heb een voordragt te doen tot het aanstellen van een klerk van ƒ800 gulden, verzoekende nog een maand of twee geduld te hebben tenzij er journalen inkwamen omdat het dan bijna dringend noodig zou geweest zijn. Als reden voor mijn uitstel gaf ik op dat de middelen

[p. 150]

het niet toelieten, gelijk de waarheid is. In Juli heb ik aan al de verzoeken van den Directeur der Zeevaart gevolg gegeven.

De heer Jansen heeft de wind- en stroomkaarten het eerst uit Amerika medegebragt. Wat ik vóor Jansen reeds in binnen- en buitenlandsche werken voor de oprigting van het Instituut en het verzamelen van Journalen gedaan heb is genoegzaam bekend. Uit brieven van den heer Jansen van 14 Aug. 1852 uit het bad Weilbach geschreven zou ik wel iets kunnen afdingen op het hier aangevoerde beweren van ZEd. Gestr. Ook is bekend mijn memorie in Julij 1852 aan Z. Exc. den vorigen Minister van Binnenl. Zaken aangeboden. (Het journaal in overeenstemming met mij (zie Meteorologische waarnemingen in Nederland 1852, p. 174) opgemaakt.)

Waarom bezocht de heer Jansen juist mij dadelijk na zijn aankomst in Nederland? Het ontwerp aan Z. Exc. den vorigen minister van Binnenlandsche Zaken in Julij ingezonden was toen reeds af en werd bij Z.Exc. reis naar Utrecht persoonlijk door mij besproken. Maar reeds jaren te voren heb ik de tegenwoordige inrigting voorbereid gelijk uit de Jaarboeken van het Kon. Instituut van Ingenieurs en uit de Fortschritte der Physik blijken kan waarin ik op een uitnoodiging telken jare een verslag lever van den toestand en wenschen der meteorologie.

Ik moet het herhalen dat ik alleen welwillende zamenwerking en geen blinde ondergeschiktheid ooit heb gevorderd.

Wat als bijzaak wordt voorgesteld is eigenlijk de hoofdaanleiding, het keuren en vergelijken der zeeinstrumenten. Er wordt gewezen op de drukke bezigheid en gezegd, dat Maury 10 zeeofficieren en 3 hoogleeraren onder zijne orders heeft. Dit moet ik aannemen, ofschoon vreemd genoeg, maar het strijdt tegen een voorgaand rapport van den heer Directeur aan mij, waarin wordt gezegd dat de heer Maury in Amerika twintig officieren onder zich heeft.

Blijkens de instructie voor den Directeur der Zeevaart kan er geen oogenblik twijfel zijn of Uwe Exc. heeft dit aan den officier opgedragen; in de instructie van den Directeur van het Observatorium

[p. 151]

komt het woord zee niet eens voor, die behoort den dampkring waar te nemen door middel van de instrumenten en niet de instrumenten, die wordt er ook niet voor bezoldigd, want voor waarnemingen die drie uren daags vorderen heeft de Directeur van het Observatorium slechts ƒ300, indien men nog niet eens in rekening wil brengen dat hij minstens ƒ200 voor huur daarvan moet missen. Het is onmogelijk dat de Directeur van het Observatorium de vergelijking van de instrumenten hetgeen ik oogluikend heb toegelaten langer op zich neemt dan totdat ook de Directeur der Zeevaart in hetzelfde bureau zal werkzaam zijn, maar van het beheer en het handelen met officieren van ZM Zeemagt kan geen sprake zijn, dit is te duidelijk door de instructie bepaald.

Uwe Excellentie heeft ook nog bij missive van 23 Febr. Afd./Bur./no. 61 mij doen toekomen het rapport van den luitenant ter zee M.H. Jansen in dato 16 Sept. 1853 no. 8 met het voorstel, om in overeenstemming met dat rapport de voor de Marine benoodigde meteorologische instrumenten voortaan in bewaring en administratie te nemen aan het Instituut, en de daartoe nu nog vereischte instrumenten aan te schaffen, opdat zij met de aan het Instituut aanwezige standaards, voor zooveel noodig zouden kunnen worden vergeleken.....

Het was mij niet voorgekomen dat Uwer Excellentie schrijven van 6 Maart 1854 Afd/Bur./ no. 105 waarbij ik geinformeerd word dat ‘de bewaring der instrumenten, voor de meteorologie benoodigd, aan het Observatorium te Utrecht Uwer Exc. doelmatig en noodzakelijk voorkomt en het Uwe Exc. aangenaam zal zijn indien ik mij met het beheer dezer aangelegenheid zou willen belasten’, hiermede strijdig was, aangezien instrumenten in een huis moeten zijn en een instituut geen huis is zooals een Observatorium, te meer daar Uwe Exc. niet twijfelt of ik zal wel geen bezwaren meer hebben om het aanschaffen en beheeren der instrumenten voor de marine aan het Instituut te doen plaats hebben. Ik heb dan ook geen bezwaren meer geopperd juist omdat Uwe Exc. niet van het Observatorium maar van het Instituut sprak, terwijl nu het tegendeel door den heer Directeur beweerd wordt.

[p. 152]

Toen ik den Directeur der Zeevaart verzocht de instrumenten te beheeren deed ik dat volgens de duidelijke uitspraak der instructie hem bekend, deed ik dit in overeenstemming met het rapport door den heer Jansen aan Uwe Exc. ingeleverd en naar ik meen overeenkomstig met de bedoeling van Uwe Exc.

Mijn antwoord is te lang geworden dan dat ik nog alles uiteen zou zetten wat ter verklaring van mijn verzoek in dato 26 Julij 1854 noodig zou zijn. Ik merk slechts op dat het niet de eerste maal zou zijn dat een nieuwe wijze van rangschikking door mij voorgeslagen in het eerst van de hand gewezen werd, maar later in Europa navolging vond, dat de Directeur zich blijkbaar niet de moeite heeft genomen om na te gaan wat ik eigenlijk gevraagd had en ook al ware het van mijne zijde onbescheiden geweest om hem een gemotiveerd oordeel te vragen, hij nu in geen geval daarover zich kan beklagen, nu ik slechts aan het slot van genoemden brief berigt dat ik na eenigen tijd zijn oordeel zal vragen; het was mijn plan dat nooit te vragen gedachtig aan de spreuk le meilleur est l'ennemi du bien, zoolang de heer Jansen nog Directeur der Afdeeling Zeevaart zou zijn. Want ik ontveins in geenen deele mijn overtuiging dat de heer Jansen de goede methode van Maury goed toepast. Mijn doel was slechts er eenige meerdere eenvoudigheid en nog grooter nauwkeurigheid in te brengen.

Uwe Excellentie geve nog goedgunstig aan mijn bescheiden verzoek gehoor om door een milde verklaring van de instructie de uitdrukking van gehoorzaamheid eenigszins te verzachten. Zij kan de officieren niet dan onaangenaam zijn, zou sommigen afschrikken van het aanvaarden der betrekking, ook is zij naar mij toeschijnt niet noodig. Alles wat verlangd wordt is goede wil om over hoofdpunten met mij te spreken, en dan eenige achting te hebben voor mijn gevoelen, dat op zoovele ondervinding omtrent vrij wat moeilijker berekeningen gegrond is.

 

Van Uwe Excellentie de dienstwillige dienaar

 

(get.) C.H.D. Buys Ballot

prepostterug  begin  verder