Etnische minderheden


auteur: Guus Extra, Roeland van Hout en Ton Vallen


bron: Guus Extra, Roeland van Hout en Ton Vallen (red.), Etnische minderheden. Taalverwerving, taalonderwijs, taalbeleid. Foris Publications, Dordrecht 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 199]

14 Belang en inhoud van onderwijs in eigen taal en cultuur
S. Özgüzel1.

1. Inleiding

In deze inleiding wordt kort ingegaan op de volgende vier vragen:

-Wat is eigen taal?
-Wat is eigen cultuur?
-Wat is identiteit?
-Wat is Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC)?

 

Wanneer we spreken over OETC, dan wordt daarmee, wat de taalkant betreft, vooralsnog in de meeste gevallen onderwijs in de standaardtaal van etnische minderheidsgroeperingen bedoeld. In dit verband kan evenwel opgemerkt worden dat er een onderzoek is toegezegd naar het taalgebruik van Marokkaanse kinderen die een Berbertaal spreken en de repercussies die dat voor het OETC aan die kinderen zou kunnen hebben.

De meeste ouders van de kinderen uit Mediterrane etnische minderheidsgroepen die aan het Nederlandse onderwijs deelnemen, zijn niet in Nederland geboren. Dit heeft uiteraard tot gevolg dat er in de betreffende gezinnen meestal de moedertaal van de ouders uit het betreffende herkomstland wordt gesproken. Daarbij dient nog te worden aangetekend dat de meeste van deze ouders analfabeet zijn en derhalve de geschreven vorm van hun moedertaal of de nationale taal van het herkomstland niet beheersen.

De discussie over de vraag of DETC op ‘terugkeer’ gebaseerd moet zijn of dat dit onderwijs zich moet richten op de grote groep buitenlanders die zich definitief in Nederland heeft gevestigd, zal nog wel enige tijd doorgaan. Interessanter en belangrijker dan deze vraag is echter de constatering dat voor kinderen die op zeer jeugdige leeftijd naar Nederland zijn gekomen, voor kinderen die hier geboren zijn en voor kinderen van wie de ouders hier geboren zijn (resp. de eerste, tweede en derde generatie immigranten) OETC de eerste mogelijkheid is om via gericht onderwijs met hun eigen taal en cultuur in aanraking te komen.

Wat is (eigen) taal?

Taal is primair een middel om te communiceren met anderen, welke vorm taal ook aanneemt (gesproken, geschreven of non-verbale taal). Dit is in de gehele geschiedenis zo geweest. Anderzijds is taal ook een cultuurprodukt: zonder cultuur kan een taal niet be-

[p. 200]

staan en zich niet ontwikkelen. Dat taal een cultuurprodukt is blijkt onder meer uit de samenstelling van het idioom en uit het gebruik van verschillende uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegdes.

Wat is (eigen) cultuur?

De mens is geen eenling, maar functioneert in een grotere groep. Het gedrag van een persoon is afgestemd op het gedrag van de grotere groep, zodanig dat de groep een zekere mate van gelijkvormig gedrag vertoont. Dit vormt uiteindelijk de cultuur van een groep. Mensen brengen zo cultuur voort, maar anderzijds worden zij door cultuur beinvloed. Niemand begint van voren af aan. Zo is het mogelijk cultuur steeds verder te ontwikkelen en op een hoger niveau te brengen. Eén mens is hiertoe niet in staat. Hij moet onder anderen verkeren. De samenleving is uiteindelijk de vorm waarin een cultuur gestalte krijgt. Natuurlijk moet binnen een bepaalde cultuur voor individuele verschillen ruimte overblijven. Om de vorming en ontwikkeling van cultuur tot stand te brengen is het nodig dat mensen onderling communiceren. Het gebruik van taal (als cultuurdrager) is hierbij onontbeerlijk.

Wat is identiteit?

Ieder individu heeft zijn eigen identiteit, maar die identiteit is geen statisch en onveranderlijk gegeven. Bij identiteit zijn twee aspecten te onderscheiden. Enerzijds is identiteit de weerslag van de verbondenheid met de eigen levensgeschiedenis en het eigen leven: iedereen maakt bepaalde ontwikkelingen in zijn leven mee en die ontwikkelingen beinvloeden de menselijke identiteit. Anderzijds is identiteit de weerslag van de verbondenheid met anderen, de gemeenschap en de cultuur. Dit identiteitsaspect wordt voor een belangrijk deel gevormd door de culturele groep waartoe men behoort of waartoe men zich zelf rekent. Deze groep noemen we ook wel de referentiegroep.

Het bewaren van de band met de eigen cultuur is een belangrijk hulpmiddel om het hoofd boven water te houden in de confrontatie met mensen uit andere culturen. Voor deze opgave staan ook de immigrantengroepen in Nederland. De eigen taal en cultuur kunnen als steunpunt dienen bij onzekerheden en twijfels, wanneer men zich in een andere cultuur begeeft. Onder invloed van een nieuwe situatie (bijvoorbeeld emigratie) kan de ene referentiegroep door een andere worden vervangen en zullen bijgevolg ook veranderingen in identiteit optreden. Dat zou met zich mee kunnen brengen dat men in een maatschappij met een andere cultuur een aantal normen en waarden van de eigen cultuur tijdelijk of blijvend loslaat en een aantal normen en waarden van de nieuwe cultuur overneemt. Desondanks zal iemand in een andere cultuur toch een aantal normen en waarden van de eigen cultuur behouden en ook willen

[p. 201]

behouden. Er is derhalve geen sprake van het verliezen van een identeit, maar van het vormen van een nieuwe.

Wat is Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC)?

Een belangrijk doel van onderwijs is cultuur over te dragen aan de leden van een samenleving, zodat deze cultuur zich verder ontwikkelen kan en de leden in de maatschappij goed kunnen functioneren. Wanneer onderwijs wordt gegeven in een betrekkelijk ‘homogene’ maatschappij (compleet homogene samenlevingen bestaan niet), dan zal men onderwijs geven vanuit de eigen (meestal dominante) cultuur.

Is er sprake van een multi-culturele samenleving en wil men tenminste dat de verschillende cultuurdragers in harmonie met elkaar kunnen leven, dan is het noodzakelijk dat men ook de andere (meestal niet-dominante) culturen en achtergronden onderwijst. Door kennis en vergelijking van verschillende culturen en achtergronden worden wederzijds tolerantie en acceptatie bevorderd.

 

In feite komt OETC, zoals dat in Nederland wordt gegeven, voor een groot gedeelte neer op onderwijs in de eigen taal (de moedertaal c.q. de nationale taal van het herkomstland). Dit betekent dat men er in feite van uitgaat - vanwege de onlosmakelijk verbondenheid van taal en cultuur - dat daarmee ook onderwijs in de eigen cultuur wordt gegeven.

OETC mag als schoolvak niet worden vergeleken met onderwijs Frans of Duits. Bij de studie van de Franse of Duitse taal begint men in het voortgezet onderwijs als het ware met een schone lei. Bij het OETC (in het voortgezet onderwijs) is dit niet het geval. De betrokken leerlingen hebben dit vak immers ook al in het basisonderwijs gevolgd en bovendien gebruiken weliswaar niet allen, maar toch de meesten van hen de betreffende taal thuis als moedertaal. Daarmee zal het ook duidelijk zijn dat (autochtone) Nederlandse leerlingen in de huidige situatie het OETC niet kunnen volgen. Voor hen gaat het immers om volstrekt onbekende talen.

Vaak hoort men naast de term OETC ook spreken over Eigen Taal Onderwijs waarmee dan in feite toch onderwijs in eigen taal en cultuur wordt bedoeld (zie voorbereiding van Wet op het Voortgezet Onderwijs, art. 17, lid 2). In het kader van het OETC in het voortgezet onderwijs zal veel aandacht worden besteed aan de verdere taalontwikkeling en taalbeheersing van de kinderen en zal tevens in ruime mate aandacht bestaan voor de essentiele waarden en normen van hun eigen cultuur.

2. Het belang van OETC

OETC is nodig om de betreffende taal en cultuur voor de betrokken leerlingen toegankelijk te maken. Nu kan men zich afvragen of dit geen taak van de ouders is. Daarbij moet men echter bedenken dat

[p. 202]

het gaat om ouders waarvan 80 - 85% analfabeet is of alleen (een gedeelte van het) lager onderwijs heeft doorlopen. Mede in verband met dit gegeven kan men niet verwachten dat de ouders zonder meer een afgewogen oordeel hebben aangaande de benodigde kwaliteit en de inhoudelijke invulling van het OETC. De ouders willen wel OETC, maar velen van hen vinden bijvoorbeeld dat het in de moskeeën moet worden gegeven. Daarmee krijgt een kind geen OETC in eerder bedoelde zin. Omdat de ouders bang zijn dat hun eigen cultuur verloren gaat (veel Turken en Marokkanen in Nederland zijn bijvoorbeeld strenger orthodox dan hun dorps- of stadgenoten in de herkomstlanden), is het zeker niet ondenkbaar dat door de door hen geprefereerde wijze van onderricht de kinderen in een isolement terecht komen. Dat zou geen goede situatie zijn. Derhalve moet de voorkeur worden gegeven aan OETC binnen het reguliere Nederlandse onderwijs. OETC dient dan ook te worden verzorgd door deskundige, bevoegde docenten als onderdeel van het Nederlandse onderwijssysteem, zodat binnen de grenzen van dit systeem het OETC-onderwijs wordt bepaald, dit onderwijs ten goede komt aan de leerlingen en hen niet in een isolement plaatst.

 

Er wordt vaak gesproken in termen van ‘tussen twee culturen’ ‘tweede generatie-problematiek’ en dergelijke, waarbij allerlei instellingen, docenten, maatschappelijk werkers en ambtenaren van de leerplicht wet bij ouders meer begrip proberen te ontwikkelen voor de situatie waarin hun kinderen verkeren (wat overigens zelden goed lukt). De vraag is of je dat van de betreffende ouders (nu al) kunt verwachten, enerzijds gezien hun lage scholingsgraad en anderzijds gezien de dilemma's waarin ze verkeren (elke dag zeggen ze dat ze zullen terugkeren, maar ze pakken hun koffers niet). Bij het kind dat OETC volgt ligt dat vaak anders: van de ene kant bestaat er begrip voor de vader die naar de moskee gaat of de moeder die een sluier draagt, van de andere kant voor zijn/haar vriendin die in een zeer korte rok loopt. Duidelijk zal zijn dat degene die veel afweet van zijn eigen cultuur sterker staat om in een maatschappij waarin zijn referentiegroep in de minderheid is te functioneren.

Het kenmerkende van integratie (in de goede zin van het woord) is dat de culturele minderheid de essentiële basiselementen van de eigen (nationale en culturele) identiteit behoudt. Ze wordt hierbij beinvloed door de dominante cultuur. Dit beïnvloedingsproces vindt echter ook in omgekeerde richting plaats: de dominante cultuur wordt ook beïnvloed door die van de culturele minderheid.

Respect voor een cultuur vraagt ook om respect voor de taal van die cultuur. Daarom moet aan hen die afkomstig zijn uit andere culturen ook de mogelijkheid gegeven worden om die (andere) talen en culturen te leren en uit te bouwen.

 

Door OETC niet alleen in het basisonderwijs maar ook in het voortgezet onderwijs te geven kan men ook het vertrouwen winnen

[p. 203]

van de eerste generatie immigranten voor het Nederlandse onderwijssysteem. Daardoor zou bij hen de aandacht voor vormen van niet-regulier onderwijs kunnen verminderen.

Iedere leerling moet in de gelegenheid gesteld worden zelf te kiezen welke cultuurgroep hij als referentiegroep wil zien. De persoonlijke levensomstandigheden zullen hierbij een grote rol spelen. Die keuze kan zo uitpakken dat leerlingen volledig assimileren, maar velen zullen vast willen houden aan gedragaregels van het moederland, de ouders, andere familieleden etc. Dit laatste zal echter niet altijd lukken, omdat de leerlingen in contact komen met de autochtone meerderheid en de in het immigratieland bestaande instellingen. Een zekere aanpassing aan de nieuwe situatie en een zeker loslaten van een aantal thuis geldende gedragsregels en gedragspatronen zullen plaats vinden. Centraal moet echter blijven staan dat deze keuze steeds door de immigranten zelf moet worden gemaakt.

Als men afziet van OETC en iedereen onderwijst vanuit de dominante cultuur, dan is er geen sprake van ruimte voor integratie of acculturatie, maar alleen van pure assimilatie. Dat laatste heeft tot gevolg dat van meet af aan of op den duur bepaalde immigrantengroepen toch weer zullen overgaan tot niet-reguliere onderwijsactiviteiten. Om dit te voorkomen en om elk individu de kans te geven zelf een keuze te kunnen maken voor zijn/haar plaats in een pluriforme samenleving, dient er OETC te worden gegeven.

3. De inhoud van OETC

De inhoud van het vak OETC moet zodanig zijn dat een leerling de essentiële waarden en normen van zijn eigen taal en cultuur leert kennen, zodat hij daarmee ook zijn eigen plaats in een multiculturele samenleving beter onderkent. Door het volgen van OETC kan een kind leren wat zijn plaats in de maatschappij is en daarbij tot het inzicht komen dat hij of zij anders is dan anderen. Dat ‘anders’ zijn betekent uitdrukkelijk niet dat hij/zij minder is dan anderen en dat moet het kind uiteraard ook worden duidelijk gemaakt. Iemand die een beeld heeft van zich zelf, staat zekerder in de maatschappij en staat ook meer open voor andere culturen. Voorzichtig zou hieruit geconcludeerd kunnen worden dat kinderen die OETC hebben genoten zich sneller en gemakkelijker in de Nederlandse maatschappij kunnen bewegen dan kinderen die geen OETC hebben gehad. Hierbij moet echter meteen worden opgemerkt dat OETC niet primair een middel is, maar een doel op zich vormt. Wanneer OETC evenwel ook een bijdrage levert aan intercultureel onderwijs of andere acculturatie-elementen, dan is dat zeker meegenomen.

Met betrekking tot de inhoud van OETC kan gedacht worden aan onderwerpen als:

[p. 204]
-geschiedenis van het land van herkomst en geschiedenis van de immigrantengroep in Nederland;
-onderwijs daar en hier;
-samenleving daar en hier;
-relatie kinderen-ouders daar en hier;
-religieuze invloeden daar en hier;
-taal en talige gewoontes daar en hier;
-staatsvorm en politiek daar en hier;
-arbeid en bedrijf daar en hier;
-wetenschap en techniek daar en hier;
-ontspanning, recreatie en vrije tijd daar en hier.

4. OETC in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs

Sinds het begin van de jaren zestig zijn er grote immigrantengroepen vanuit de landen rond de Middellandse Zee naar Nederland gekomen. De familiehereniging begon in het begin van de jaren zeventig. In 1974 heeft men OETC in het basisonderwijs geïntroduceerd (kleinschalig en projectmatig). In de jaren daarna kwam op steeds grotere schaal het OETC van de grond. Met de Wet op het Basisonderwijs heeft per 1-8-1985 het OETC een wettelijke basis gekregen. Er zijn nu rond 650 OETC-leraren in het basisonderwijs werkzaam: ongeveer 375 Turkse, 210 Arabische en 65 voor de overige talen.

In de afgelopen jaren zijn er applicatiecursussen georganiseerd voor OETC-docenten. Dit waren applicatiecursussen van twee jaar die volledige bevoegdheid geven als groepsleerkracht alsmede applicatiecursussen van 250 lesuren die uitsluitend tot een OETC-bevoegdheid leiden. Gedurende de laatste jaren zijn er bovendien enkele afgestudeerden van PABO's als OETC-docenten aangesteld. Het gaat hier om docenten die in hun land van herkomst tenminste het lyceum hebben afgerond.

Verder is het Ministerie van O & W bezig een korte nascholingscursus OETC te realiseren voor OETC-docenten van het eerste uur.

 

In het begin hebben nagenoeg alle OETC-leerkrachten geprobeerd het wiel uit te vinden. Dat kwam vooral omdat er geen samenwerking bestond en er geen gecoördineerde activiteiten waren. Sommige docenten maakten gebruik van het leerplan dat ze in hun herkomstland hadden gebruikt. Later is men op grotere scholen projectmatig aan de slag gegaan om een leerplan en hulpmiddelen te ontwikkelen. De onderwijsbegeleidingsdiensten speelden/spelen hierbij een belangrijke rol. De SAD-Rotterdam bijvoorbeeld bevindt zich wat dit soort activiteiten betreft reeds in een vergevorderd stadium. Daarnaast heeft de SLO van het Ministerie van O & W opdracht gekregen leerplannen te ontwikkelen. Ook het ARTUVO-project (Arabisch en Turks in het Voortgezet Onderwijs) heeft samen met de Gemeente Amsterdam van het Ministerie van O & W een

[p. 205]

soortgelijke opdracht ontvangen.

Aangezien er met betrekking tot het voortgezet onderwijs lange tijd geen formele (wettelijke) regeling voor het vak OETC in het verschiet lag, is OETC op dat niveau op velerlei manieren geïnterpreteerd en toegepast. Dit blijkt onder meer uit de benamingen van degenen die in het voortgezet onderwijs OETC geven/hebben gegeven, zoals tolkleraar, hulpleraar, vertaler, buitenlandse docent, begeleider, schoolcontactpersoon e.d.

 

Het cursusjaar 1986/1987 moet gezien worden als een overgangsjaar voor het voortgezet OETC-onderwijs. Scholen die reeds op hun eigen wijze OETC hebben georganiseerd, moeten proberen een meer gerichte invulling aan het vak te geven. Hiervoor kunnen ze voor wat betreft leerplannen en leermiddelen onder meer contact opnemen met de SLO en ARTUVO.

 

Verder is de laatste jaren gebleken dat scholen voor voortgezet onderwijs die in het verleden geïnteresseerd waren om OETC te organiseren angst hadden dat bij de invoering van dat onderwijs de moskee in de school zou worden gehaald. Zoals reeds is opgemerkt, was en is dat niet de bedoeling. Illustratief in dit verband zijn de volgende gegevens van een enquête die ik in april 1986 heb gehouden. Er waren toen in totaal 71 v.o.-scholen geinteresseerd om per 1-8-1986 het vak OETC in hun lessenpakket op te nemen. Deze scholen waren te verdelen in vier categorieën:

a.scholen met ervaring en bevoegd docent;
b.scholen met ervaring en niet-bevoegd docent (vaak wel bevoegd voor een ander vak);
c.scholen met ervaring maar nu zonder docent;
d.scholen met alleen kennis van de ontwikkelingen.

 

Sinds 1-8-1986 kunnen de volgende soorten leraren het vak OETC in het voortgezet onderwijs doceren:

-bevoegde docenten voor Turks en Arabisch;
-personen die als onbevoegd docent werkzaam zijn en tegelijkertijd de opleiding volgen aan een van de beide opleidingsinstituten (Amsterdam en Rotterdam);
-personen die wel bevoegd zijn maar voor een ander schoolvak alsmede ervaring hebben met geven van het vak OETC in het voortgezet onderwijs;
-personen die niet bevoegd zijn voor het geven van onderwijs Arabisch en Turks.

 

Per 1 augustus 1987 zal er een wettelijke regeling zijn voor OETC in het voortgezet onderwijs, die alle scholen de mogelijkheid biedt OETC als keuzevak in te voeren. Tegen die tijd zal een aantal zaken geregeld zijn, zoals de bevoegdheden van de docenten en de examenregeling OETC-VO.

Wat betreft leerplan en leermiddelen kan het volgende opgemerkt

[p. 206]

worden. Voor het cursusjaar (1986/1987) wordt er een schaduwraamplan door de SLO gemaakt. Inmiddels zijn de leermiddelen voor het eerste leerjaar door ARTUVO vervaardigd. Genoemd leerplan en de betreffende leermiddelen worden in het leerjaar 1986/1987 door de docenten getoetst. De door de docenten gemaakte op- en aanmerkingen zullen door SLO en ARTUVO worden verwerkt zodat te verwachten valt dat per 1 augustus 1987 het leerplan en de leermiddelen van betere kwaliteit zullen zijn.

5. Besluit

Uiteraard is de vraag van belang hoe lang het huidige OETC op dezelfde manier gehandhaafd moet blijven. Er is echter op dit moment nog volstrekt niets te zeggen over de vraag hoe lang OETC in welke vorm dan ook moet blijven bestaan. De geschiedenis in andere immigratielanden met een veel langere traditie in dit opzicht laat in ieder geval zien dat OETC zeer lang een absolute noodzaak blijft.

 

Als een kind dat in Nederland geboren is en dat tot zijn zestiende jaar OETC heeft gehad, zegt dat het uit eigen vrije wil Nederlander wil worden en Hans in plaats van Hasan genoemd wil worden, dan is dat uiteraard zijn eigen zaak. Het is zelfs uitstekend als het betreffende kind zich daarbij beter voelt. Maar als een kind nooit OETC-onderwijs heeft genoten en achteraf de maatschappij verwijt dat het geen mogelijkheden heeft gekregen om zelf een bewuste en weloverwogen keuze te maken, dan kan zo'n kind psychisch en emotioneel in de problemen komen. De maatschappij waarin zo'n kind leeft is dan zeker tekort geschoten.

 

Veranderingen van standpunten inzake OETC zullen er zeker in de komende decennia optreden. Het is op dit moment echter nog veel te vroeg om daarop vooruit te lopen, omdat volstrekt onduidelijk en onbekend is in welke richting(en) die veranderingen zullen gaan.