terug  begin  verderprepost

24-I-'26

Geachte Heer Van Eyck,

Ik meen stellig te weten, dat Uw brief door ‘De Vrije Bladen’ geaccepteerd is; hij zal, vermoed ik, reeds in Febr. verschijnen. Misschien komt mijn antwoord10 in datzelfde no.; misschien in Maart. - dat zal van de inrichting dier nos. afhangen. - Hoe dit zij: ik knip het antwoord in tweeën: in de Vr. Bl. behandel ik uitsluitend

[p. 20]



illustratie
Overdruk uit De Gemeenschap met Marsmans De ondergang en met aantekeningen van Van Eyck (verkleind)

[p. 21]



illustratie

[p. 22]

de Gids-kwestie; maar, waar dit antwoord wellicht nog wèken op zich laat wachten, en Uw brief passages inhoudt mijn eigen werk betreffend, die mij zeer ter harte gaan, wil ik met dit tweede, particuliere deel niet langer wachten.

Ik moet zoowel hier als in de Vr. Bl. de quaestie van de plaats en beteekenis van het dichterschap laten rusten: het is éen van de punten, waarover ik opnieuw in tweestrijd ben, en mijn opvatting van dìt moment kan ik niet als een essentieele beschouwen; daartoe is ze te troebel. - Ik ben, U heeft dat goed gezien (het is trouwens niet diep-verborgen) inderdaad weer in een periode van onklaarheid, verwarring, umwertung, zoeken, vinden, verwerpen ... maar, voor zoover ik mijn critische competentie nog, of weer, intact heb, zie ik sommige dingen in mijn eigen werk tòch anders.

Ten eerste kan ik niet hooren, dat De Ondergang11 een echo van Holst zou zijn. De twee adjectieven: ‘groot, onstuimig’ zijn in deze combinatie zoo rechtstreeks en naïef van hem overgenomen, dat ikzelf dit slechts als grof ontleenen, niet als invloed beschouw, en daarom ook geheel ongevaarlijk vind. Ìnvlòed, die van mijn gedicht de echo van hem zou maken, neen, ik hoor er geen zweem van. Trouwens: hoe essentieel anders is mijn ‘ondergangs’-conceptie, die het elysisch voorstadium en de elysische toekomst loochent. Ik zelf ga meè onder; hij, Holst, ontkomt nog te rechter tijd. - De plastiek .. is er grooter contrast? -

Ik zie Ondergang niet als eindgedicht, tenzij het een begin-en-eind in eènen is, maar ik heb deze idee hierin m.i. volstrekt nog niet uitgeput. - Eindgedicht van de Penthesileia-groep is duidelijk ‘Afscheid’.

Ik aanvaard nog steeds het slot van Uw bespreking over mijn Verzen, maar dat houdt niet in, dat voor mij het geluid van mijn laatste (Palladium)verzen, hèt, het, mijn eenige geluid zou zijn. Ik kàn dat onmogelijk aanvaarden, want, wanneer ik, met U, inzie, dat die periode afgesloten is, dan zou ik, indien daarin mijn eenige eigen geluid lag, nu - en voorgoed van mij-zelf afgesloten zijn, en mijn dichterschap een verleden. Dat kan niet. Ik geloof ook niet, dat ieder dichter, dat alle dichters, enkel eèn toon hebben. Velen doorloopen verschillende phasen, en in elk daarvan leggen zij eèn trek, eèn visie, eèn geluid, eèn rhythme vast. Die verschillende phasen beschouw ik dan als partiëele verwerkelijking van hun onuitgesproken, als totaal onuitgesproken kern. De ontzaglijke moeilijkheid is om van phase tot phase uit die verwarring daartusschen in te geraken. Maar: terugziend, begrijp ik niet waarom b.v. ‘Einde’, minder eigen zou zijn dan ‘Virgo’; dit dan ‘Basel’, dit dan ‘De Vreemde Bloem’, dit dan ‘Paradise Regained’, (ik kies willekeurig) Of: blijkt hieruit, dat ik dan toch Uw kritiek niet aanvaard heb, niet begrepen?

[p. 23]

Mag ik dan een zeer persoonlijke vraag stellen: wat is Van Eyck, die van ‘Sterren en bloesems’, of die van ‘De tuinman en de Dood’?12

Kan het, wat mij betreft, niet zòo zijn: de 5e phase (die tijdelijk parallel liep met de 4e: ‘De Vliegende Hollander’ schreef ik vòòr de Palladiumbundel) bestaat: behalve uit die Vl. Holl. uit De Zwarte Vloot, ‘Paradise Regained’, ‘Sneeuwstorm’, ‘De Matroos en de Maan’, en is dan, als hij t.z.t. met nog enkele dingen vermeerderd, gereed zal zijn, in proza en poezie, na schifting van beide, te scheiden. - Met Ondergang begint dan de 6e reeks, die wellicht ‘De Zwarte Engel’ gaat heeten? -13

 

Of: heeft elk dichter tòch zijn allereigenst geluid, behalve neven-stemmen? Ligt dat bij mij dan toch in de Palladium-verzen? Maar die groep is (lijkt mij ook) afgesloten! Is er van uit dat punt, naar een andere zijde wellicht, een even essentieel {problem}geheim te vinden? - Ik erken het: ik kom er niet uit. Ziet U de draden? Ik gaf er menig lief ding voor, als ik ze gewaar werd. -

 

Het spijt mij dat deze brief ten deele een oratio pro domo werd. Maar het kon moeilijk anders. Ik hoop niet, dat het àl te verward is, en al te tegendraadsch. -

 

Als het U schikt: een antwoord in dezen zal ik zeer op prijs stellen. Wellicht ook schrijft U het in de vorm van een kritiek op ‘Penthesileia’? Ik vernam nog niet, of dit in Uw bedoeling ligt. -

Intusschen, na vr. gr.
Hoogachtend
Uw
H. Marsman

10Het antwoord van Marsman, eveneens De Gids en onze dichterlijke beweging getiteld, werd in de maartaflevering van De Vrije Bladen geplaatst. Zie Bijlage II.
11Het gedicht De ondergang, in De Gemeenschap van december 1925, was Marsmans eerste bijdrage aan dit ‘maandschrift voor Katholieke reconstructie’. In de loop van 1925 was Marsman nader in aanraking gekomen met de katholieke jongeren van het tijdschrift De Gemeenschap en met Gerard Bruning en Jan Engelman bevriend geraakt. Daarmee begon wat men wel zijn katholiserende periode heeft genoemd. Op de overdruk van De ondergang, die Marsman hem had toegezonden, heeft Van Eyck met potlood de regels 13-21 geschreven van het gedicht Einde uit De wilde kim van A. Roland Holst (zie blz. 20).
12Sterren en bloesems is het laatste gedicht uit Van Eycks bundel Inkeer; De tuinman en de dood stond in Erts , Almanak 1926 en werd pas gebundeld in Herwaarts , 1939.
13Een jaar later dacht Marsman over de fasen van zijn werk blijkbaar weer anders. In de bundel Paradise regained heet de vijfde reeks De zwarte engel en behoren de verzen Paradise regained en Sneeuwstorm, die hier tot de vijfde fase worden gerekend, tot de zesde reeks, Tusschen twee paradijzen. De ondergang is nooit in een bundel opgenomen.
prepostterug  begin  verder