terug  begin  verderprepost

18-I-'31.

Geachte Heer v. Eyck,

Dank voor Uw brief met informaties: het is alleen jammer dat die niet hoopvol zijn. - Ik zend U dezer dagen Paradise Regained: een ex. van de 3e,76 en één van een vorige druk; dit laatste is natuurlijk niet nieuw meer, maar misschien minder geschonden dan het Uwe, dat U dan weg kunt gooien.

Gelukkig, dat Uw ‘Halve Eeuw’ zooveel sneller opschiet dan ik dacht. Verwerkt U er ook Uw vroegere ‘Gids’ stukken in? Ik ben benieuwd wat U van Slauerhoff zult zeggen: het zal wel geheel anders zijn dan mijn meening over hem, en dan de langzamerhand gangbare, die hem - ik geloof zeer terecht! - zeer gaat waardeeren. - In een brief aan mij liet U zich eens scherp over hem uit;77 ik vermoed

[p. 72]



illustratie
Handschrift van Marsman (ware grootte)

dus dat U hem slechts onder veel voorbehoud - indien überhaupt - zult aanvaarden. Ik vraag mij voortdurend af, welke beslissende zwakheden zouden er in een zoo krachtig talent te ontdekken zijn?

Dus ook in Ùw oordeel ligt tegenstrijdigs over Witte Vrouwen? Ook in het mijne (ook in dat der critiek überhaupt). Ik denk het bij een eventueelen lateren druk, iets gewijzigd, op te nemen in een grooteren bundel, zooals ik destijds met ‘Verzen’ en ‘Penthesileia’ deed in ‘P.R.’ (Maar vàst is dit plan nog niet).78 Dien bundel zal ik wel ‘Proteus’ moeten noemen, nu mijn werk, tegen mijn verwachting, en soms tegen mijn hoop, in, voortdurend afwisselender wordt.

Ik wou dan ‘Berusting II’ in elk geval schrappen, misschien ook Slaap en Herfst; en ‘De Zieke’ dat ik hier insluit, neem ik dan in die afdeeling op. - ‘De Hand v. d. D.’ en ‘De Grijsaard e. d. Jong.’ komen in één groep met - ik weet niet of U ze kent, ik schrijf er U alleen over om dat het U misschien kan interesseeren hoe ik ‘W. Vrouwen’ in het geheel van mijn werk zie; desgewenscht zend ik U enkele verzen die U niet kent, ter lezing - ‘Lex Barbarorum’, ‘Hart zonder Land’, ‘Vier korte gedichten’ (die binnen kort in de Vr. Bladen komen') ‘Antwoord aan v. Duinkerken, en ‘Phoenix’. - ‘Breeroo’ komt erin, misschien heb ik tegen dien tijd nog meer verzen van dat genre; ik voel ‘Breeroo’ misschien vooràl als een uitdrukkingswijze, waarin veel meer krachten tegelijk van mijn natuur zich kunnen realiseeren, terwijl Holst mij juist schreef, dat het hem ‘te veel een vlucht leek voor de consequenties van mijn wezen.’ - Een andere groep vormt: ‘Drie verzen voor een doode’, ‘Regen’, ‘Afscheid’, ‘Quel être...’, ‘Drijven i. d. Herfst, October-

[p. 73]

morgen (komt in Helikon), weer een andere: ‘De bruid’ (Uit W. Vr.) ‘Zonnige Septembermorgen’, ‘Ontwaken’ (komt in Vr. Bladen), ‘Seine et Marne’.79

De volgorde der groepen weet ik nog niet: het zal een quaestie van compositie worden.

m. onze hart. gr.
Uw
H. Marsman.

76Voorin het exemplaar van de derde druk van Paradise regained, dat hij Van Eyck toezond, schreef Marsman: ‘Voor P.N. van Eyck, den Groot-Inquisiteur, van H. Marsman. Januari '31.’
77Met de scherpe uitlating over Slauerhoff doelt Marsman waarschijnlijk op de zin in Van Eycks brief van 4 of 5 februari 1930, waarin deze schreef: ‘Vreemd is, dat, wie op sommige van Uw schijnbaar karakteristiekste uitingen afgaat met evenveel verbazing kan vragen, hoe juist U het in Slauerhoffs sfeer kunt uithouden zonder te verstikken’.
78Marsmans plan voor een bundel waarin Witte vrouwen met latere verzen zou worden verenigd, werd niet verwezenlijkt. In zijn volgende bundel, Porta nigra , 1934, werden uit Witte vrouwen alleen opgenomen: De hand van den dichter, De grijsaard en de jongeling en De bruid. Pas Verzameld Werk I. Poëzie, 1938, bevat op twee gedichten na de inhoud van Witte vrouwen.
79Van de hier genoemde gedichten is De zieke (zie facsimile) ongepubliceerd gebleven. De overige zijn verschenen in de volgende tijdschriften: in De Vrije Bladen: Lex barbarorum (juli 1926), Seine et Marne (april 1927), Drie verzen voor een doode (afl. 8/9, 1930), Breero, (dec. 1930), Vier korte gedichten en Ontwaken (afl. 4, 1931); in De Gemeenschap: Hart zonder land (nr. 11/12, 1929) en Antwoord aan van Duinkerken (februari 1930); in Balans 1930-31: Phoenix en Regen; in Helikon: Quel être n'aime pas qu'on se souvienne de lui? (januari 1931) en Octobermorgen (maart 1931); in De Gids van januari 1931: Zonnige septembermorgen, Drijven in de herfst en Afscheid. Met uitzondering van Hart zonder land werden deze alle opgenomen in Porta nigra.
prepostterug  begin  verder