terug  begin  verderprepost

19 mei 1932

Brief, getypt op papier met hetzelfde gedrukte briefhoofd als de brieven van 16 januari 1931 en 27 october 1932.

 

19 Mei '32

Geachte Heer Marsman,

Ik heb wat U betreft ongerechtigheid op ongerechtigheid gestapeld. Uw Voorpost bereikte mij verleden zomer in het Lake District.83 Ik had er dadelijk op willen antwoorden, maar toen ik daar toe wilde overgaan, bleek het omslag met Uw adres al weggegooid en was ik dus niet in staat te schrijven. Terug in Londen, half September, viel ik [in] een politiek uiterst bewogen tijd, waar de arbeid aan Leiding nog bij kwam. Toen werd ik ziek. Zoo is van het eene uitstel het andere gekomen, tot Uw brief van 4 April mij aanleiding gaf om eindelijk tot antwoorden over te gaan. Helaas, kwam Uw brief ongeveer gelijk met eenige andere die evenzeer spoedig antwoord vroegen. Onder andere een van Engelman. Het resultaat is dat ik er geen van beantwoord heb. Eigenlijk ben ik tot nu toe tot niets kunnen komen. Ook literair is de bespreking van een Engelsche roman voor de N.R.C, die ik verleden week schreef, het eerste wat ik dit jaar op papier kreeg.84 Niet alleen mijn Halve Eeuw, maar ook een boekje dat ik ter bestrijding van Verwey's Ritme en Metrum schrijvende was, ligt mij voortdurend verwijtend aan te staren.85 Aanvaard, bid ik U, mijn algemeene schrijfonlust als althans eeniger-

[p. 78]

mate geldige verontschuldiging, geef mij geen loon naar werken, en houd de waarheid in de gedachte dat vurige kolen behalve voor kachels en ovens voor de schedels van Uw schuldenaren geschapen zijn. Natuurlijk wil ik U met mijn raad gaarne bijstaan, als U meent dat U daar wat aan hebben zult. Het vraagstuk aangaande Uw nieuwe bundel kan inderdaad op tweeërlei wijs opgelost worden. Wilt U alleen laten zien dat Uw persoonlijkheid allerlei figuren in zich bergt, waarvan zonder naspeurbare orde nu de een, dan de ander naar boven en tot uiting komt, terwijl in hen allen toch de eene Marsman hoorbaar of zichtbaar blijft - bij mijn weten heb ik nog maar één gedicht van U gelezen dat wel anders dan de andere maar niet Marsman is - dan zou het voldoende zijn om de gedichten strikt chronologisch te geven. De voortdurende wisseling der figuren kan tot het effect dan sterk bijdragen. Het zou echter ook kunnen zijn, dat U het voor U zelf, voor de Proteus in U, karakteristiek vindt dat hij slechts een zeker aantal figuren in zich draagt, en dat U dit dan ook in de bouw van Uw bundel wilt doen uitkomen. De vraag of elk van die figuren zich gewoonlijk in een kleine groep vlak na elkaar komende gedichten openbaart dan wel, of nu de een dan de ander zich in een gedicht doet gelden, is dan niet strikt relevant, en onder die voorwaarde, de voorwaarde dus, dat U in U zelf een beperkt aantal figuren opgemerkt heeft, tot een waarvan al Uw gedichten terug te brengen zijn, zou groepeering ook in de bundel de voorkeur verdienen. Iets kunstmatigs zou dat in dit geval niet hebben. Persoonlijk houd ik veel van bundels waarin een zekere bouw zichtbaar is. De bouwloosheid zou echter juist in Uw geval, en onder de titel Proteus, de zuiverste uitdrukking van Uw verschijning geworden kunnen zijn. Geworden kunnen zijn, zeg ik, want vergis [ik] mij niet dan overheerschte tot op het afsluiten van Uw eerste verzamelbundel voornamelijk het verschijnen der gedichten bij, der figuren in kleine groepen. Was dit zoo, maar is dit in de tot Uw tweede verzamelbundel behoorende verzen aanzienlijk minder het geval gebleken, dan zou de chronologische volgorde de voorkeur verdienen. Al was het alleen maar, omdat daardoor dan een kenmerkend verschil tusschen een vroegere en een latere periode uitgedrukt zou worden. Ik hoop, dat deze overwegingen U van dienst kunnen zijn. Misschien zijn zij U ook zelf al door het hoofd gegaan. Zij laten de laatste beslissing geheel bij U liggen. Hetgeen ook noodzakelijk is. Gaat U verder alles goed? Schrijft U? verhalen, gedichten of kritieken? Sinds Leiding opgehouden is, en ik mijn brieven niet meer beantwoord, zit ik haast volkomen geisoleerd op mijn eiland. Hebt U nog dingen in Forum of elders geschreven en overdrukken daarvan beschikbaar? Met mijn vriendelijke groeten, ook aan Uw vrouw,

geheel Uw
P.N. van Eyck

83Voorpost, dat gedichten bevat die in dezelfde tijd zijn geschreven als die in Marsmans eerste bundel Verzen , verscheen in 1931 in beperkte oplage bij A.A.M. Stols te Brussel.
84Een recensie van Charles Morgan, The fountain, in de N.R.C. van 26 mei 1932 ( Verzameld werk , deel 6, blz. 223-230).
85Albert Verwey, Ritme en metrum, eerst gepubliceerd in Leiding, 2de jaargang, 2de, 3de en 4de aflevering (maart, mei en juli 1931), verscheen datzelfde jaar bij uitgeverij C.A. Mees te Santpoort. Naast een bespreking van Verweys essay in Leiding, die echter t.g.v. de staking van het tijdschrift niet meer kon verschijnen, wilde Van Eyck een uitvoeriger bestrijding daarvan in boekvorm uitgeven, die echter onvoltooid is gebleven (Verzameld werk, deel 5, blz. 475-496; zie ook de Verantwoording op blz. 662 in dit deel). Over dit geschrift, dat de titel Over versrhythme zou krijgen, schrijft Van Eyck ook in zijn brieven van 14 juli en 27 oktober 1932.
prepostterug  begin  verder