terug  begin  verderprepost

22 Mei '32

Geachte Heer van Eyck,

Hartelijk dank voor Uw brief. Ik ben de laatste maanden aan 't overhellen (au

[p. 79]



illustratie
P.N. van Eyck

[p. 80]

fond heb ik daar trouwens steeds het meest voor gevoeld) tot het indeelen in groepen van Proteus. Een enkele keer stuit dat op een moeilijkheid, maar ik geloof toch dat het aantal dichterlijke figuren in mij niet, lang niet, onbeperkt is, en buitendien, al zijn de verzen uit eén groep niet steeds achter elkaar in één periode geschreven, dit is toch nog vaak het geval geweest. Maar minder dan bij ‘Paradise Regained’.

Over het opnemen van sommige verzen dubieer ik nog, sommige zijn nog niet geheel af. - Misschien wilt U mij bij gelegenheid ook op dit punt van advies dienen? Zal ik de copie (die ik nu wel een of twee maanden kan missen) naar Londen sturen? of bekijkt U de zaak eens in Bergen, of Breukelen? -86

Ik heb in de tweede helft van '31 een nieuwe roman opgezet. In Januari '32 ben ik wat ik er van had, geheel gaan herschrijven. Ik word echter de laatste maanden telkens gedwarsboomd door physieke depressie's en het boek is nu, goed half af, blijven liggen. Ik hoop nu op het najaar, meestal mijn beste tijd. -87

Verzen schreef ik in lang niet meer. Ik heb het gevoel, dat zich in deze onvruchtbare periode, zooals vaker bij mij, een nieuwe poëtische schakeering voorbereidt, en ben benieuwd hoe zij worden zal. -

Het critiek schrijven is mij een onmogelijkheid geworden. Ik schreef niets van dien aard dan een enkele droge, heel korte recensie in de Nieuwe Eeuw, om Engelman eens af te lossen. Maar ik kàn het eenvoudig niet meer. Ik heb wel, voor Forum, een mislukt stuk over Couperus geschreven,88 en een grooter artikel ‘De Aesthetiek der Reporters’,89 dat mij wèl goed bevalt. Maar dat is dan ook het eenige van dien aard. - Ik zal naar een ex. er van zoeken, en het U zenden, als ik het vind. -

 

‘Boutens heeft een toon die hij naar believen schijnt te kunnen aanslaan’, schreef U naar aanleiding van zijn ‘Morgengedachten’.90 Het lijkt mij niet juist, en ik vind mijn meening bevestigd door die afgrijslijke ‘Bezonnen Verzen’,91 waarvan juist de toon (afgezien nog van de rest, die niet minder afgrijslijk is) voortdurend valsch is. Bent U dit laatste met mij eens?

Wij moeten elkaar, als U er voor voelt, van den zomer eens zien te ontmoeten. Ik heb tal van kwestie's met U te bepraten. O.m. het chapiter Verwey.- Van Vriesland beweert dat ik Verwey eenvoudig niet ken, en ik geef toe dat ik hem haast niet meer lezen kan. Maar ik heb vroeger de eerste 6, 7 bundels toch wel degelijk, en goed, gelezen, al bleef er mij niets meer van bij; maar met de latere bundels

[p. 81]

heb ik het slechts vaag geprobeerd. Zou Verwey goed vinden dat U of van Vriesland een bloemlezing uit hem maakte, met een korte inleiding, om hem zoo mogelijk ingang te laten vinden bij de lauwen, de onverschilligen, de afkeerigen, waartoe voor zoover ik weet, behalve de kleine kring van de Beweging, ongeveer iedereen behoort die voelt voor echte poëzie. Vergeeft U mij deze venijnigheid, maar ik kan U maar niet vergeven, dat U de Paulus zijt van dien houten Christus Zelfs als zijn opvattingen geheel juist zouden zijn, zijn ‘poëzie’ is een remedie tegen de dichtkunst.

Zoo is er meer. - Maar deze brief werd al lang voor mijn doen, - en ik heb Forum onder meer poëziekronieken een artikel over Andries de Hoghe beloofd.92 Ik zal er weer eens in gaan lezen. Weet U of het Boutens is? -

m. vr. gr.
Uw
H. Marsman

86Blijkbaar wist Marsman al, dat Van Eyck deze zomer in Bergen en bij J.C. Bloem in Breukelen zou logeren.
87 De dood van Angèle Degroux verscheen in oktober 1933 bij N.V. Em. Querido's Uitgevers-mij te Amsterdam.
88Brief over Couperus, in Forum, eerste jaargang nr. 5, mei 1932.
89De aesthetiek der reporters, in Forum, eerste jaargang nr. 3, maart 1932.
90Marsman citeert uit de Boekbeoordeling van Van Eyck over P.C. Boutens, Morgengedachten op den vijftigsten geboortedag van Wilhelmina van Oranje-Nassau, Koningin der Nederlanden , 1930, in Leiding, 2de jaargang, 1e aflevering (15 januari 1931), (Verzameld werk, deel 5, blz. 437-440).
91Boutens bundel Bezonnen verzen verscheen voorjaar 1932.
92 Strophen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe , uitgegeven door P.C. Boutens, verscheen in 1919 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. In 1932 gaf A.A.M. Stols in zijn Halcyon Pers een tweede, vermeerderde druk. Of deze strofen werk van Boutens zelf zijn, zoals men wel gemeend heeft, of van een verder onbekende, jonggestorven dichter is een tot nu toe niet geheel opgeloste kwestie. Een artikel van Marsman over deze strofen is niet in Forum verschenen. Wel gebruikte hij de eerste regel van de Dertigste strofe als titel van zijn stuk Naamloos en ongekend in Forum, 2de jaargang, no. 1.
prepostterug  begin  verder