terug  begin  verderprepost

28 mei 1932

Met ‘mijn brief van 23 dezer’ bedoelt Marsman kennelijk zijn brief van 22 mei 1932.

 

Ik heb sinds kort van Bloem te leen ‘The Winding Stair’ van Yeats dat U voor hem hebt overgetikt.93 Bij vluchtig inzien al leek het mij zéer mooi. -

 

28 Mei '32

Geachte Heer v. Eyck,

Mocht U t.z.t. mijn brief van 23 dezer beantwoorden, schrijft U mij dan ook even hoe het staat met de onderlinge verhoudingen tusschen Uw artikelenreeks a ‘Verschijningen en Versch’, b de kritieken destijds in de Gids en Gr. Ned, en c ‘Een halve Eeuw’.94 Wordt, wat bruikbaar is uit die twee (a en b) opgenomen of verwerkt in ‘Een halve Eeuw’ of geeft U 3 boeken uit?

Misschien heb ik het U al eerder gevraagd, en misschien hebt U er al op geantwoord? Ik kan het niet vinden.

Wij moeten ook over Slauerhoff, en vooral over het slot van Uw stuk over hem,

[p. 82]

over de quaestie der ‘objectieve’ poezie,95 uitvoerig praten. Ik zie met spanning Uw komst tegemoet.

m. vr. gr.
Uw
Marsman

 

Is Uw samenwerken met Geyl en Gossaert niet een zwenken geweest? Ik meende, dat Uw artikelen in de N.R.Ct b.v. nogal ‘links’ waren. z.o.z.

De naam ‘Clair-Obscur’ voor Slauerhoff's bundel is van mij.1 (de aanteekening achterin, eveneens). De titel ‘Saturnus’ is van hem-zelf.

het ‘afvallige’ kleed96 is natuurlijk een bewuste dubbelzinnigheid. -

 

Hebt U nog steeds Leopold's nalatenschap onder U? Kan alles (dus ook de twee verschenen bundels) niet in één deel worden uitgegeven?97

 

Kunt U Brants 98 niet tot bundelen krijgen? Het zou zeer de moeite waard zijn.

93Van Eyck had voor A. Roland Holst een afschrift gemaakt van de bundel van W.B. Yeats, The winding stair, dat deze weer aan J.C. Bloem had doorgegeven.
94 Verschijningen en verschijnselen was de ondertitel van de Literaire Kroniek in Leiding; Een halve eeuw Noordnederlandsche poëzie was de titel van een reeks studies over Perk, Kloos, Verwey en Gorter in de eerste jaargang van dit tijdschrift.
95In zijn Literaire Kroniek over Slauerhoff in Leiding van januari en maart 1931 stelde Van Eyck tegenover wat hij Slauerhoffs subjectivisme noemde, degenen, ‘die hopen dat de tijd voor een nieuwe opbloei der poëzie weldra aangebroken zal blijken, en die slechts in een drang naar objectieve poëzie haar mogelijkheid erkennen kunnen’. (Verzameld werk, deel 5, blz. 314).
1zonder dat ik Martineau's editie kende.
96De opmerkingen van Marsman over Clair-obscur en het ‘afvallig kleed’ slaan op passages in Van Eycks kritiek, die men in Verzameld werk, deel 5, respectievelijk op blz. 295 en blz. 309 vindt.
De uitgave van Slauerhoffs bundel Clair-obscur, in 1927 in de Palladium-reeks verschenen, was grotendeels door de bemoeiingen van Marsman tot stand gekomen, daar Slauerhoff, die toen als scheepsarts bij de Java-China-Japanlijn voer, daartoe niet in de gelegenheid was.
97Sinds oktober 1928 had Van Eyck de schriftelijke nalatenschap van J.H. Leopold onder zijn berusting. Daaruit bewerkte hij de uitgave van diens Verzamelde verzen , die in 1935 bij W.L. en J. Brusse verschenen. Daarin werd inderdaad ‘alles in één deel’ uitgegeven.
98I.I. Brants, eveneens in Londen woonachtig en met Van Eyck bevriend, recenseerde in de dertiger jaren in het Algemeen Handelsblad de Engelse literatuur. Verzen van zijn hand verschenen in Leiding van september 1930 en Groot Nederland (1937, I, blz. 426 e.v.). Van Eyck heeft in 1934 en nog eens in 1937 vruchteloos moeite gedaan de gedichten van Brants bij A.A.M. Stols te laten verschijnen.
prepostterug  begin  verder