terug  begin  verderprepost

14 Juli '32

Geachte Heer Marsman,

Tot mijn schrik zie ik dat het al weer tegen de twee maanden is dat ik U onbeantwoord liet. Maar beter laat dan nooit. Wat Uw verzen betreft, om U werkelijk van dienst te zijn, zou ik mij er eenige tijd in moeten verdiepen, en daar heb ik op het oogenblik de tijd niet voor. Ik twijfel er echter niet aan, of U zult zelf het best de vorm vinden die U het meest bevredigt.

‘Bezonnen Verzen’ heb ik nog niet gelezen. U schijnt van heel andere meening te

[p. 83]

zijn dan Nijhoff, wiens kritiek in De Gids ik las.99 Wat U van mij over Boutens' toon aanhaalt, was door mij - van uit mijn eigen gedachtensfeer zou ik haast zeggen natuurlijk - niet als een compliment bedoeld. Ik bedoelde daar het in ieder gedicht opnieuw de toon creëeren tegenover en boven te stellen. In mijn opvatting van het woord, ik meen die van het aangehaalde zinnetje, kan die toon, wanneer zij als bij Boutens om zoo te zeggen een te allen tijde klaarliggende beschikbaarheid is, zeer wel valsch zijn, hetgeen mij in het andere geval uiteraard onmogelijk lijkt. Even doorbladeren van Bezonnen Verzen laat mij niet toe, om over deze bundel een oordeel uit te spreken.

Ik wou dat ik een bloemlezing van Verwey kon maken, maar bij zijn leven zal dat zeker niet gebeuren. Mijn werkelijke groote bewondering voor zijn poezie is juist pas bij een van zijn latere bundels, De Weg van het Licht, begonnen. In deze bundel, en in De Legende van de Ruimte en De Figuren van de Sarkofaag100 staan gedichten, die inderdaad een remedie zijn, niet echter tegen ‘de’ poezie, maar tegen de meeste poezie die heden ten dage geschreven wordt! Ziedaar Uw ‘venijnigheid’ naar behooren beantwoord.

U spreekt over Andries de Hoghe. Neen, daar zou ik nu juist zoo graag eens over hooren. Het is een interessant vraagstuk.

Het meest van wat ik de laatste tien jaar aan kritiek en studie geschreven heb is nog maar voorwerk voor mijn Halve Eeuw. In dit laatste moet zelfs het hoofdstuk over Perk en dat over Kloos geheel en langer herschreven worden. En natuurlijk moet het een veel uitvoeriger inleiding dan de alleen voor Leiding bestemde korte die het nu heeft krijgen. Zal het werk ooit afkomen? Ik heb nu een heel boekje, van ongeveer 120 Leiding bladzijden over versrhythme geschreven, en voor het eind van het jaar zal ik er niet weer mee kunnen beginnen, want dat boekje moet nog een keer overgeschreven worden. Ook heb ik nog een stuk over het Wilhelmus te leveren.101 Dat boekje over versrhythme zal dus het eerste kritiesche boekje zijn dat ik publiceer, - het komt goed uit dat het zoozeer over een centraal onderwerp handelt.

[p. 84]

De heele poezie van Leopold in één deel uit te geven, was mijn plan. Het is echter niet zeker of de erfgenamen daarvoor te winnen zullen zijn, maar ik hoop het.

Neen, mijn samenwerken met Geyl en Gerretson is volstrekt geen zwerven geweest. De heele Inleiding tot het tijdschrift was mijn werk, behoudens een paar zinnetjes van Gerretson op detailpunten. Als Geyl, heb ik altijd links gestaan, - de overeenstemming ging over beginselen. Zijn eigen uitwerking van die beginselen heeft Gerretson in het tijdschrift feitelijk nooit beproefd. Hij heeft Leiding dus in de grond aan mij overgelaten en het is opgeschort voor het veelzijdig genoeg had kunnen worden: de krachten zijn beperkt, in ons land, althans de voor mij bruikbare. Ik heb Gerr. al lang niet gezien, want ik ben in twee jaar niet in Nederland geweest, en ik weet dus niet, of zijn uitwerking van die beginselen nu voor mij ten deele onaanvaardbaar zou zijn, - voor samenwerking zou dit ook dan pas een bezwaar zijn, wanneer ik in die uitwerking de beginselen geschonden achtte. Een meer conservatieve of een meer radicale uitwerking is van alle beginselen mogelijk, en op dat inzicht berustte onze praktisch wat hem betreft overigens tot weinig geleid hebbende samenwerking aan één tijdschrift.

De vacantie zal ik in ons land doorbrengen. Waarschijnlijk te Bergen, maar ik kom een paar dagen bij Bloem. Ontmoet ik U dan? Of bent U dan zelf met vacantie? Het zal omstreeks de helft van Augustus zijn. Met vriendelijke groeten,

geheel Uw
P.N. van Eyck

99P.C. Boutens, Bezonnen verzen werd tezamen met J.C. Bloem, Media vita en Hendrik de Vries, Spaansche volksliederen door M. Nijhoff besproken in de Kroniek der Nederlandsche Letteren in De Gids van juni 1932 (Verzameld werk deel 2*, blz. 725-735).
100Wat de genoemde bundels van Albert Verwey betreft: Van Eyck getuigde van zijn bewondering voor De weg van het licht, 1922, in zijn eerste Gids-kroniek van januari 1924. (Zie: Verzameld werk, deel 7, blz. 618). Van de bijzondere betekenis die juist deze bundel voor hem heeft gehad, getuigde Van Eyck voorts in de Rede over Albert Verwey , die hij op 14 januari 1925 hield bij gelegenheid van Verweys intrede als hoogleraar in de Nederlandse letterkunde te Leiden, in verbeterde lezing onder de titel Idee en wil in 1944 uitgegeven (Verzameld werk, deel 4, blz. 601-611). Over De legende van de ruimte, 1926, heeft Van Eyck niet geschreven; wèl besprak hij in de Literaire Kroniek in de laatste aflevering van Leiding, november 1931, De figuren van de sarkofaag (Verzameld werk, deel 5, blz. 403-412).
101De studie Het Wilhelmus , die Van Eyck zegt te moeten leveren, was bestemd voor het verzamelwerk Wilhelmus van Nassauwe , uitgegeven o.l.v. Prof. Dr. P. Geyl ter gelegenheid van het IVde eeuwfeest der geboorte van Prins Willem van Oranje, G.W. den Boer, Middelburg, 1933. (Verzameld werk, deel 6, blz. 57-127).
prepostterug  begin  verder