Beste van Eyck.
Ik dank je nog voor je rede, die ik nog steeds niet behoorlijk gelezen heb, doordat de schrijverij mij geheel in beslag nam. Ik hoop er binnenkort toe te komen. Wij staan dus nog aldoor bij elkaar in het krijt, want ik blijf hopen op een brief van je over Porta Nigra in verband met mijn andere werk, en anders op een gesprek, waarin je mij op dit stuk niets verzwijgt. Het is mij niet duidelijk waarom je daardoor een verantwoordelijkheid op je zou nemen, die je zou kunnen drukken. Integendeel: zoolang je je niet over mijn ontwikkeling en mogelijkheden uit-
spreekt, onttrek je je aan een plicht (als dat woord niet te sterk is). In elk geval vervloek ik het toeval dat mij een critiek onthoudt waaruit ik stellig de vruchtbaarste lessen zou kunnen trekken. -
Hoe bevalt Leiden? Ben je al eenigszins ingewerkt? Gaat je vrouw erg gebukt onder de plichten die het professoraat ook haar oplegt? Ik zou je graag weer eens spreken, maar waar en wanneer? Momenteel kan [ik] je moeilijk te logeeren vragen, daar mijn vrouw wat vermoeid is, zooals steeds tegen dezen tijd. Maar misschien in Januari. Ik hoop nog eens iets te hooren.
m.h. gr. t à t
Marsman