Van Eycks brief van 12 en Marsmans briefkaart van 13 december hebben elkaar gekruist.
Zaterdag. [12.XII.1936]
Waarde Marsman,
Donderdagmiddag werd ik overvallen door een bezoek. Vrijdagmiddag had ik een bezoek te brengen èn een promotie. Zo heb ik de verzen niet eer kunnen terug zenden dan vanmiddag. Ik hoop dat het korte uitstel je niet ontriefd heeft. De colleges zijn nu afgelopen en het voorlezen, met wat voorlopige commentaar, van een aantal nieuwe verzen heeft veel voldoening gewekt, hoor ik. Als ik aan jou niet zoveel tijd gegeven had, zou ik na jou vóór de Kerst Slauerhoff behandeld hebben, maar dat kan nu niet. Na de vacantie begin ik eerst met de eerste periode van Kloos en Verwey, maar naar ik hoor is al gevraagd of ik Slauerhoff dan niet behandel! Zo dol zijn veel van de studenten er op om over de latere dichters te horen spreken. Toch zal ik nu eerst weer over de Nieuwe Gidsers beginnen.
Ik dank je nog wel voor de proef. Het was een voordeel de gedichten ten dele gedrukt te zien, van wege de objectiefheid. (Alleen is het mij persoonlijk een raadsel hoe je er al ter publicatie hebt kunnen zenden vóór je productieve periode zo ongeveer voorbij of wat verder is en je definitief hebt kunnen schiften en bewerken.) Ik heb twee verzen van Doorbraak gelezen, ‘Herinnering aan

Briefkaart van Marsman, 7 december 1936 (ware grootte)
Holland I-III’,137 en de gezette verzen
behalve ‘Toren van Babel’, ‘Baai’ en ‘Paestum’. Vooruitzicht heb ik gelezen tot
en met het woord ‘onvruchtbaarheid’. Wat er op volgt bekoort mij niet en lijkt
mij overbodig. Ik ben heel blij dat je weer schrijft en dat in deze verzen de
obsessie van de doodsgedachte geweken is. Ik hoop dat zij voor goed geweken is,
al zie ik, in de groep die ik nu ken, geen reden tot zekerheid dat het zo zijn
zal, noch een vernieuwingsbeginsel dat het waarschijnlijk zou maken. Dit is
echter een voorlopige gedachte en in elk geval is het feit dat je weer schrijft
en dat er onder de gestuurde mooie verzen zijn een winst die niet verloren gaat,
ook wanneer deze periode door een andere gevolgd mocht worden, waarin je
innerlijk weer anders gesteld zou blijken. Ik ben dus erg benieuwd naar de vele
verzen die ik nog niet ken. Bij Zelfportret heb ik ook een gedicht van
Bilderdijk, van Verwey en van Rilke over eigen aangezichtelijkheid behandeld. Je
maakt bij de gedichten hier en daar opmer-
kingen op [of] hebt er vragen bij geschreven. De laatste 6 regels van het vers aan Jacques Bloem bevallen mij in het geheel niet. De laatste strofe omdat die niet op J. slaat en dan die vlag, enz.!138 Na de ‘Herinnering aan Holland’ zou ik een vers als ‘Polderland’ laten vervallen. Vooral niet te veel gekanker dat althans ten dele misschien toch ook op schuldverschuiving berust. Dat gekanker zie ik feitelijk ook in het eerste Voorschrift. Als er nu eenvoudig en moeizaam in de woestijn gewerkt moet worden, waarom moeten daar dan de koningin van Scheba, Christus, Johannes de Dooper en de Apocalyps bij te pas komen? Om de steen behoef je niet te vragen. Wie overwint krijgt hem. En de naam blijft geheim tussen God en de ziel: wat heeft een onbeperkt gezag daarmee te maken? Van het Tweede Voorschrift vind ik het middendeel het mooist. Londen en Parijs werken bij mij als anti-climax. En waarom van binnen vuur, van buiten ijs? Er is in dat alles nog zoveel onnodig negatiefs. Vindt je zelf ook niet? Bij ‘Storm in Ibiza’139 aarzel je over het woord ‘halverwege’. Ik zou zeggen dat ‘door de stormen’ volkomen overbodig is [in de marge: Ook Pom140 vond dat.] en dat het slot zeer goed zijn kan
Je spreekt wat ‘verwerpend’ over alle vier de Doorbraakgedichten.141 Toch zit in ‘Ontwaken’ en ‘Jonas’ en in enkele regels van de andere iets werkelijk nieuws en eenvoudig-warms, iets van het reconvalescentiegevoel dat ieder kent die erg ziek geweest is en dat ik hier herkende. Natuurlijk is dit bijzondere gevoel naar zijn aard en als door zijn aanleiding bepaald voorbijgaand, maar in het behoud van zijn innerlijkste betekenis ligt ten slotte het heil. Heb je het behouden? Ik merk het niet zo in J.F., maar heb ik goed begrepen dat dit grotendeels bewerkingen van vroeger al gevonden en zelfs in de een of andere vorm neergeschreven gedachten zijn? Ook dat je die gedichten aan een dubbelganger toeschrijft, trouwens, moet zijn betekenis hebben. Je begrijpt dat dit alles in de hoogste mate voorlopig is en ik moet mij zelf overwinnen om het te tikken. Een enkele keer
vraag ik mij zelf af: moest hij het eigenlijk niet een heel stuk beroerder hebben en dan nog bovendien iedere uitingsmogelijkheid toegeschroeid voelen, om eerst waarlijk rijp en rijk te kunnen worden? Je ziet, ik leg mij niet zo gemakkelijk neer bij de slotconclusie van Vestdijk142 naar aanleiding van Porta Nigra. Deze regel trof mij in Herstel:
Een huiselijke gedachte schoot mij daarbij te binnen: ‘Je zoekt naar 't paard en je zit er op’. Iemand nog wel, die een ander mens een dergelijke gedachte over zich zelf kan toeschrijven! My Gawd.’ Doe je ogen open of koop een bril. Maar ik ben nu toch begonnen met te doen wat ik niet wil. Vergeef mij. Eén vraag nog: waarom richt je het eerste Voorschrift tot een jong dichter?143 Waarom niet - ontdaan van al zijn ‘grootspraak verheven’ - over de koningin van Scheba, over de Dooper, over Christus (die van de ‘hyena's’: ‘zij weten niet wat zij doen - zei’) met wat die aan onvruchtbare verachting naar buiten insluit - tot je zelf? Ontdaan van dat alles komt zijn inhoud zo ongeveer op die van mijn eerste Inkeer-gedicht144 neer. Maar nu, nog eens: hartelijk dank voor de verzen. Ik reken op overdrukken en ben altijd gevoelig voor toezending van je werk. Je komt dus in Februari terug. Wij zullen jullie dan wel zien. Je plan voor drie delen juich ik zeer toe. Graag zou ik je ditmaal over een definitieve uitgave van je gedichten allerlei ter overweging willen geven, maar schriftelijk is dat onmogelijk. In elk geval: geef vooral Witte Vrouwen niet afzonderlijk meer uit. Wees daarin de baas van je uitgever. Beste groeten, ook aan je vrouw en van de mijne. Evenzo aan Jan en Atie,145
als altijd geheel je
Van Eyck
Voor het Inslapen ‘Neen, het is nog geen nacht’: Schrap ‘verdomd’: het is onnodig en klinkt onvolwassen.146
Zinkend schip. Op één na laatste regel emendatie niet gelukkig.147
[Poststempel: 13.XII.1936]
W.v.E. Je brengt me tot wanhoop; ik had de boel, conform je kaart, Vrijdag terug verwacht! Het is toch niet zoek geraakt? Dom ook, dat ik niet vroegen het aangeteekend te zenden. (ik deed het zelf trouwens ook niet). Het zou een ramp zijn als de boel weg was. Ik loop nu al drie dagen in het luchtledig allerlei verzen te verbeteren, omdat ik de tekst niet meer heb of ken. Dus graag omgaand!
je M.
Marsman
63 Opaallaan
Schaerbeek
Brussel.