terug  begin  verderprepost

Mornex 6.1.'39

Waarde v. Eyck,

Ik dank je nog wel voor je stuk over Van der Feesten,159 dat ik binnenkort hoop te lezen. Mag ik overigens bekennen dat ik van je werkwijze weinig of niets begrijp? Ik dacht dat je, een enkele uitzondering daar gelaten, al de tijd en aandacht,

[p. 125]



illustratie
Marsman in Mornex, 1939

[p. 126]

die je professoraat je overliet, zou besteden aan Een Halve Eeuw, en in plaats daarvan zie ik niets dan uitzonderingen: Gorter, Verwey,160 van der Feesten, Over leven en dood -. Ik hoop dat je mij deze opmerking ten goede zult houden. Maar hoewel ik op het stuk van werken alles van je te leeren heb - en dat zal wel zoo blijven - bevreemdt en spijt het mij, dat je dat, wat m.i. je hoofdwerk moet worden, telkens weer onderbreekt of verschuift. Of vergis ik mij? -

Je raad in zake de N.R.Ct. berust ten deele op een misverstand, dat ik zelf eveneens ten deele in de hand heb gewerkt, door te spreken over ‘krasse termen’. Jij, en meer menschen, hebben gedacht, dat het schrappen uitsluitend krachttermen betrof. Je zou versteld staan als je zag, hóe ver de censuur daar tegenwoordig gaat. Mijn gróote ergernis berustte op het feit dat men mijn consigne ‘niet schrappen, anders terug’ over het hoofd had gezien, zoodat een zeer scherp, blasfemisch gekruid, artikel tegen Eekhout + v. Oosten161 slap en tam in de krant kwam. Maar genoeg: het geschil met Vestdijk is bijgelegd. Als ik hem vinden kan, sluit ik hierbij een brief van hem in, waaruit je kunt zien hoe de situatie daar is. (Graag terug). Ik heb er nog eens op gehamerd dat men zich aan mijn directieven houden moet. -

Ja, ik werk - weliswaar weinig verzen en scheppend proza - maar, behalve zéer intensief en frequent werk voor de N.R.Ct, heb ik, na het voltooien van Hieronymus, dat pas in het najaar verschijnt,162 het slot van mijn studie over ter Braak163 herschreven, en naar Querido gestuurd. Verder moet ik een Zarathustra-vertaling van wijlen P. Endt voltooien en inleiden,164 misschien zelfs

[p. 127]

vrij uitvoerig, en de complete poëzie van Slauerhoff van een inleiding voorzien.165 Ik zal hiermee, hoe geconcentreerd ik het resultaat ook hoop te formuleeren, een groot deel van '39 bezig zijn.

De N.R.Ct. acht een aparte bespreking van ‘Over leven en dood’ niet noodig. Het verzamelwerk zal, eventueel, als geheel in een andere rubriek besproken worden. Ik richtte nu het verzoek tot Jan Greshoff, voor Gr. Ned,166 maar hoorde nog niets - dat kan trouwens ook nog niet. - Als dat ook mislukt, geef ik het misschien maar op. Naar aanleiding van een studie van de Maritains formuleerde ik, beïnvloed door jou stuk, eenige gedachten over poëzie en mystiek, die ik naar Gr. Ned. zond.167 Ik zal het je zenden, als het verschijnt, t.z.t. Maar bedenk, dat het iets zeer voorloopigs en fragmentarisch is, en wellicht ook nog niet goed doordacht. Misschien vraag ik het stuk nog terug.

Vestdijk bespreekt, op mijn verzoek, Verwey in de N.R.Ct. Ik ken hem te weinig voor een dagbladartikel, waar eenige haast bij is. Vroeg nu om het ex. voor G. Ned.,168 maar vermoed, dat Jan Greshoff het houdt, of aan Hoornik zendt, die dit jaar de poëziekroniek schrijft. - Eventueel is Querido bereid, mij een ing. ex. voor fl. 6.- te leveren. Dat doe ik dus, als het op een andere wijze niet lukt. - Ik vind het wel jammer dat je mij niet volgt in de N.R.Ct. Eerst dacht ik, dat ik er niets meer van terecht zou brengen. Maar nu ik er in ben, en minder ‘dogmatisch’ te werk ga dan vroeger, loopt het vrij goed. Ik zal de beste stukken, voor zoover die de jongste dichters betreffen, er uit houden en aanvullen, zoo dat ik een inleidend boekje krijg, aan het eind van het jaar, over de belangrijkste menschen.169 Er zijn verschillende zeer verheugende bundels verschenen, van Mok, v.d. Steen, Hoornik, Franquinet, etc. -

Behalve een enkele kleine physieke depressie maken wij het goed. Maar, nu de waterleiding ten deele en de w.c. geheel bevroren is, is het voor R. geen gemakkelijk huishouden, in dit ouderwetsche ‘perceel’. Ik denk dat wij binnenkort eens

[p. 128]

op zoek gaan naar een beter huis, dat wij voor langer kunnen huren, en waarheen ik dan ook een deel van mijn, weinige, boeken kan overbrengen. De eenzaamheid bevalt mij overigens heel goed.

ontvang met N. + zoons
onze hart. gr.
je
H.M.

159Van Eycks studie over Van der Feesten, Sproke der mystieke liefde , in het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, deel LVIII, aflevering 1-2, 1938 ( Verzameld werk , deel 6, blz. 407-452).
160De aflevering van De Stem, Ter herdenking van Albert Verwey, juli-augustus 1937, bevatte van Van Eyck een bijdrage getiteld Dichterwording . Een noot aan het slot deelt mee: ‘De kern van deze bijdrage vormt het eerste hoofdstuk van een werk: ‘Albert Verwey: De dichter en zijn Mythe’, dat eerlang verschijnen zal:’ Dit boek, dat Van Eyck eind 1939 had moeten afleveren, zodat het in het voorjaar van 1940 zou kunnen verschijnen, is nooit geschreven. Van Eyck liet een boek over Gorter voorgaan, waaraan hij in deze tijd wat gewerkt heeft, maar dat hij pas voorjaar 1940 hervatte, nadat eerst zijn uitgave met inleiding van Gorters Mei verschenen was in de Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Marsman doelt hier echter kennelijk op de reeds verschenen uitgaven van Albert Verwey's Oorspronkelijk dichtwerk (zie noot 158) en Gorters Mei.
161 Moderne Nederlandsche religieuze lyriek , bijeengebracht en ingeleid door Jan H. Eekhout en A.J.D. van Oosten, De Tijdstroom, Lochem, 1939.
162Teixeira de Pascoaes. Hiëronymus, de dichter der vriendschap, vertaald door A. Vigoleis Thelen en H. Marsman, verscheen bij J.M. Meulenhoff, Amsterdam. In 1937 was reeds van deze Portugese schrijver van dezelfde vertalers verschenen Paulus, de dichter Gods.
163Marsmans essay, Menno ter Braak , eerst opgenomen in het Marsman-nummer van Groot Nederland van juli 1938, verscheen voorjaar 1939 in boekvorm bij Em. Querido's Uitgeversmij te Amsterdam (Verzameld werk, 1963, blz. 684-723).
164Friedrich Nietzsche, Aldus sprak Zarathoestra, vertaald door Eduard Coenraads en H. Marsman, verscheen, voorzien van een inleiding van Marsman, bij de Wereldbibliotheek te Amsterdam, in april 1941. Marsmans Inleiding, gedateerd 17-X-1939, werd voordien gepubliceerd in Groot Nederland van juni 1940 (Verzameld werk, 1963, blz. 736-754). Eduard Coenraads was het pseudoniem van Dr. P. Endt.
165J. Slauerhoff, Verzamelde werken I , Gedichten I , opent met een inleiding door Marsman, Bij Slauerhoffs poëzie, gedateerd Bogève 1.IX.1939, voordien verschenen in Groot Nederland, januari 1940 (Verzameld werk, 1963, blz. 724-735).
166Noch Het mysterie van ons bestaan noch Over leven en dood in de poëzie zijn in Groot Nederland besproken.
167Het februari-nummer bevat een artikel van Marsman, Didactische verhandeling over poëzie en mystiek , volgens een noot ‘Naar aanleiding van Jacques en Raïssa Maritain: Situation de la Poésie (Desclée de Brouwer, 1938)’. De laatste alinea luidt: ‘Bij het schrijven van dit artikel ben ik ten deele beïnvloed door de lectuur van de meesterlijke en behalve in het middenstuk ook zeer eenvoudige beschouwing ‘Over Leven en Dood in de Poëzie’ van P.N. van Eyck. Merkwaardig genoeg bleek zijn spinozistische opvatting en terminologie op een zoo natuurlijke wijze te verbinden met hetgeen ik, en duidelijkheidshalve gedeeltelijk in termen der christelijke mystiek, over de verhouding dier mystiek tot de dichtkunst te zeggen had, dat ik niet geaarzeeld heb dit te doen.’ (Verzameld werk, 1963, blz. 829-833).
168Albert Verwey, Oorspronkelijk dichtwerk is niet in Groot Nederland besproken. In de N.R.C. van 4 en 11 februari 1939 werd het gerecenseerd door Vestdijk (ongesigneerde Letterkundige Kroniek, getiteld Alibi der inspiratie).
169Een bundel met kritieken over de ‘generatie-Hoornik’ is nooit verschenen.
prepostterug  begin  verder