terug  begin  verderprepost

29 november 1939

Op 3 september verklaarden, naar aanleiding van Hitlers inval in Polen, Engeland en Frankrijk aan Duitsland de oorlog.

Diezelfde maand was Marsman van Bogève verhuisd naar St. Romain par Meursault (Côte d'Or). Doordat Van Eyck zijn brief verkeerd adresseerde, als onbestelbaar terugkreeg en, met een korte toevoeging, opnieuw verzond, kwam deze pas eind december in Marsmans bezit.

 

Wassenaar 29 Nov. '39.

Waarde Marsman,

Het is verbazend aardig van je, dat je, ondanks mijn zonderling stilzwijgen, toch je werk blijft sturen: het Hieronymus-boek en je studie over Hoornik. Juist in de dagen, dat ik je een paar schriftuurtjes wou zenden, kreeg ik ontsteking van mijn galblaas, die mij enige weken op bed, en verder de rest van mijn vacantie rustende en vermoeid gehouden heeft. Na drie weken colleges kreeg ik bloedingen in maag of ingewand, die mij wéér enige weken, op twee dagen na 4 - op bed gehouden hebben. Nu ben ik op. Ik ben geröntgend voor galblaas, maag en duodenum, maar hoewel geen afwijking gevonden is, raak ik toch nog bloed kwijt, zodat ik mij moet blijven gedragen als een lijder aan maag- of duodenumzweer. En je begrijpt, dat ik verre van ‘kras’ ben. Je begrijpt dus ook, dat van werken noch schrijven veel gekomen is. Ik heb die eerste keer een pijn gehad als ik niet wist dat mogelijk was, maar dat is gelukkig al lang voorbij. Mijn Gorter-boek is deze zomer al uitgesteld, maar andere werkzaamheden hebben zich opgestapeld. Daar moet ik nu eerst door heen om zelfs maar met de uitgave van Mei te kunnen beginnen: laat staan dat het schrijven van mijn eigen boek een aanvang zou kunnen nemen. De 2 schrifturen had ik je natuurlijk voór de laatste ziekte wel kunnen zenden, maar toen verwachtte ik ieder ogenblik mijn bundel,179 en bovendien wist ik je adres niet, hoewel ik wel vermoedde, dat je niet naar Nederland teruggekomen

[p. 132]



illustratie
Eerste en laatste bladzijde van een brief van Van Eyck (verkleind)

[p. 133]



illustratie

[p. 134]

zoudt zijn. Het laatst bekende adres was Mornex. Ik hoop dat je, na dit relaas, mijn lange stilzwijgen begrijpen en billijken zult zodat ik mij dáárover althans niet meer ongerust behoef te maken. Mijn bundel is er, 5 dagen voor Sinterklaas, intussen nog niet. Het spijt mij, dat ik het te kwader ure aardig vond hem door Enschedé uitgegeven te zien. Men schijnt daar, op dit gebied, de traagheid tot het onmogelijke op te voeren. Toen het, 6 weken geleden, gedrukt was, heeft van Krimpen het, 3 weken lang, eenvoudig vergeten. De enige troost is, dat de gedachte van verkoop misschien toch maar een illusie is, - al blijft waar dat, waar windstilte heerst, de schipper moet zorgen ook het schuchterst vermoeden van een windzucht in zijn zeilen te krijgen. Maar laat daar de stok-oude firma Enschedé eens naar handelen!

Genoeg van deze kwestie, waar ik al te veel tijd aan besteedde: zij maakt mij, als ik er aan denk, een beetje kregel. Van Hieronymus heb ik een 75 bladzijden gelezen. Merkwaardige schrijver! Hij maakt een grotendeels verdichte ‘biographie intime’. Die verdichte beschrijving van H's innerlijk maakt hij bovendien haast van zin tot zin interpretatief voor nog een heirleger andere dingen dan H's innerlijk. En hij doet dat door een exces van associatieve activieteit, dat hem haast niet toestaat meer dan één zin enkel aan mededeling van feiten of gebeurtenissen te wijden. Alles in een stijl, die aan een en ander merkwaardig adaequaat is, met een neiging tot het pathetische, die de taal, waar de associatiedrift uit de band slaat, bizar, bombastisch, bij gelegenheid zelfs ietwat komiek maakt. Daar tussen in staan dan korte, lapidaire, vaak min of meer sibyllijnse uitspraken, die soms zeer treffen en waarvan men een kleine bloemlezing zou kunnen maken: ‘Sibylline Leaves’, of iets dergelijks. Deze stijl is nauwkeurig het tegendeel van die van Spinoza, aan wiens heldere en duidelijke, vaak weergaloze beknoptheid en zakelijkheid ik mij de laatste weken telkens weer verkwikt heb. Maar ik ben je, ondanks mijn voorbehouden - het bovenstaande betreft alleen iets van methode en stijl - toch zeer dankbaar voor de toezending.

Niet minder waardeer ik die van je Hoornik-studie. Het heeft waarschijnlijk betekenis, dat je voor deze proef juist mij uitgekozen hebt. Je begrijpt, dat het stuk alleen al als symptoom in jouw ontwikkeling belang voor mij heeft. Wanneer ik aan je vroegere, met zoveel stelligheid apodictische oordeel-kritieken denk, dan moet het feit mij wel treffen, dat dit stuk over Hoornik een uitvoerig en stelselmatig onderzoek naar de aard en de betekenis - afzonderlijk en gezamenlijk - van de motieven in het voornamelijk behandelde dichtwerk is180 en dat het door zijn methode dus aan die van mijn studies zeker verwant is. In verband hiermede vraag ik eveneens of je de slotzin van blz. 12181: ‘Onbedoeld levert zijn voortreffelijk gedicht daardoor tevens weer eens het bewijs, dat poezie sterker en boeiender wordt, naarmate de dichter zijn stof menschelijker en vollediger heeft

[p. 135]

doorleefd’ vroeger zo geschreven had kunnen hebben. Het woord ‘vollediger’ verdient daarin nog bijzondere vermelding. Op het tweede plan typisch, vind ik ten slotte de opmerking, dat bij je weten ‘de critiek zelfs geen poging’ had ‘ondernomen’ om duidelijk te maken, wat jij in dit stuk geprobeerd hebt duidelijk te maken, maar zich integendeel alleen over een soort-vraag warm gemaakt had. Je stelt aldus implicite je antwoord op een andere soort-vraag vast: tussen de ene soort kritiek, en de andere, en je geeft in je Hoornik-kritiek een stuk in een soort, waar je nog zeer veel, en zeer vruchtbaar werk in kunt doen. Ik zie dat alles met pleizier aan en vermoed, dat je daar in de verte over 't geheel een verbreding doorgemaakt hebt of doormaakt, dank zij welke je je toekomst als schrijver met verwachting tegemoet kunt zien. Wat op jouw leeftijd het beste is, wat een schrijver overkomen kan. Mattheus had ik wel doorgelezen, maar nog niet met voile aandacht gelezen. Ik beloof je, dat ik dit binnen kort aan de hand van je artikel doen zal.

Mag ik verder aannemen, dat jouw en R's gezondheid goed is? En dat ik nu ook van jou nog eens iets zal mogen horen? Ik zou in elk geval wel willen horen, of je deze brief ontvangen hebt. Het mocht soms zijn, dat de censuur door deze geschreven litt. beschouwingen niet kan heenkomen. - Het dep. van onderwijs heeft geïformeerd - de Vries182 raadpleegde mij - of ik schrijvers kenden, die met belangrijk werk bezig zijn en een ondersteuning uit de schatkist kunnen gebruiken. Mogelijk zelfs voor een paar, of een aantal jaren is daarvoor geld beschikbaar. Ik heb jouw naam opgegeven, die alreeds naar het departement onderweg is. Je zult daar wel geen bezwaar tegen hebben - vergis ik mij niet, dan zou 't wel een f 600- kunnen bedragen - en ik hoop dus, dat er iets van komt. Met ons beider hartelijke groeten aan jullie beide - wij hebben helemaal geen vacantie gehad en zouden 't dol vinden om een tijdje aan de Côte d'Azur te kunnen zijn - maar 't is daar nu zeker óók guur? -

Als altijd
je
P.N. van Eyck

 

Ik schreef, eerst in 1918, naar aanl. van de eerste bundel, daarna in Leiding naar aanleiding van Naar het Onzichtbare een uitvoerige studie over Nine van der Schaaf's verzen.183 In een stukje van V. Vriesland over Henr. Holst zie ik, dat jij met onderscheiding over Nine geschreven hebt. Waar? Heb je het? en kun je

[p. 136]

het mij zenden of lenen?184 Alles wat met onderscheiding over haar handelt interesseert mij. Ik weet niet of ik wonderbaarlijker wezen ken.

23 Dec. Deze brief kwam terug omdat ik Côte d'Azur op de enveloppe gezet had. 3 Dec. zond ik je mijn boekje en een paar andere zaken. Daarop stond Or, maar voor 't loket veranderde ik het in een paniek in Côte d' Azur. Ook dat is vandaag teruggekomen. Pech! Van Jany hoor ik dat je [hij] de kopie van een nieuwe bundel van je onder zich heeft.185 Wanneer verschijnt die? Antwoord mij nu eens gauw ook over de regeringssteun. Ik heb al 5 weken vergeefs gewacht!!

Wat 't begin van In Mem. Kloos betreft: ik vind het onmogelijk om het fragmentarisch te laten beginnen. Bevalt het oude begin niet, dan behoef je er maar op te werken, en het wordt goed. Een gedicht zelf schrijf je omdat de Muze met jou copuleren wil. De verbeteringen, omdat jij met de Muze wenst te copuleren of ze wil of niet. Maar ze wil altijd, te langen leste, na hoeveel verzet ook!

179‘Mijn bundel’ betreft de dichtbundel Herwaarts , uitgegeven door Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem, aan welke uitgeverij J. van Krimpen als typografisch verzorger verbonden was. Herwaarts is de eerste bundel die Van Eyck publiceerde sedert het verschijnen van Inkeer, 2de druk, 1927.
180Marsmans studie over Hoornik, waarvan hij Van Eyck een drukproef had gestuurd, gaat voornamelijk over diens Mattheus , een episch gedicht, verschenen in De Vrije Bladen, jaargang 15, schrift I, januari 1938 (H.P. Leopold's Uitgevers-Mij. N.V., Den Haag).
181Voor dit en het volgende citaat zie: Verzameld werk , 1963, blz. 792.
182Van Eycks collega te Leiden, Prof. Dr. Jan de Vries.
183Van Eyck schreef reeds in De Beweging van november 1917 over Nine van der Schaafs gedichten (d.w.z. niet naar aanleiding van haar eerste bundel Poëzie, die in 1919 verscheen, maar over in De Beweging gepubliceerde verzen) en in Leiding van november 1930 over haar bundel Naar het onzichtbare, 1929 (Verzameld werk, resp. deel 4, blz. 53-63 en deel 5, blz. 254-274).
184De opmerking van Van Vriesland betrof een zeer waarderend oordeel van de jonge Marsman over de bundel Poëzie . Een kritiek van Marsman op die bundel is niet gevonden. Dr. Van Vriesland was, desgevraagd, zo vriendelijk mee te delen: ‘Mij komt het hoogst waarschijnlijk voor, dat Van Eyck mijn stuk over Henriëtte Roland Holst onnauwkeurig heeft gelezen, en dat mijn mededeling van het oordeel van Marsman niet berust op een door de laatste geschreven kritiek, maar op een door hem in een gesprek gedane mondelinge uiting.’
185 Tempel en kruis .
prepostterug  begin  verder