terug  begin  verderprepost
[p. 144]

Bijlage II De Gids en onze dichterlijke beweging

Antwoord aan Dr. P.N. van Eyck.

Geachte Heer Van Eyck,

Ik heb uw strijdschrift aandachtig gelezen, en indien mijn antwoord, vergeleken met uw breedvoerigheid, u wat zeer bondig mocht schijnen, zoo vertrouw ik toch, dat het daarom ook naar uw meening niet minder grondig zal zijn. - Ik ben u allereerst erkentelijk voor de principiëele wijze, waarop gij uwe opvattingen over doel en wezen van poëzie en critiek hebt uiteengezet, en ik twijfel niet, of zij zullen mijn inzichten in dezen helpen verhelderen en verscherpen.

Na de lectuur van uw Witte Mier-publicatie stond mijn oordeel daarover onmiddellijk vast, en het heeft zich sindsdien in geen enkel opzicht gewijzigd: mijn conclusie was en is, dat men hierover - zooals ik u begin Januari uit Zutphen reeds schreef - geen kláar oordeel kàn hebben; en wel, omdat dit door ongelijksoortige, onverbindbare factoren gevormd zou moeten worden. Mijn conclusie valt in twee deelen uiteen, of liever blijft uit twee onvergelijkbare grootheden bestaan, waarvan de eene u onverdeeld in het gelijk stelt, en de andere onverdeeld in het ongelijk. Dáarom noemde ik de oneenigheid verwikkeld; daarom schreef ik in het Decembernummer van dit tijdschrift, dat het uitvoerige materiaal, dat de Witte Mier van September over deze quaestie verschafte nochtans niet in staat is ons een der beide partijen volkomen in het gelijk te doen stellen. Daarom heb ik de zaak ternauwernood aangeroerd. Niet omdat ik twijfelde of weifelde, of omdat ik de quaestie ontwijken wilde. Bovendien hecht ik aan dit conflict voor onze poëzie niet die levensgroote beteekenis, die gij eraan toekent, omdat mijn opvatting over den psychologischen ondergrond ervan, en over de consequenties die daaruit moeten voortvloeien, een geheel andere is dan de uwe.

De zaak is m.i. deze: in het conflict in engeren zin, voor zoover het dus geldt de gronden en de wijze waarop aan uw werkzaamheid aan De Gids een eind is gemaakt, staat het recht aan uw kant. Maar in den wijderen zin, dien gij eraan hecht, zijn de consequenties waartoe gij geraakt, en de wijze waarop gij daartoe geraakt, voor mij evenzeer onaanvaardbaar. De slotpassage in de Witte Mier aangaande Roland Holsts poëzie, haar beteekenis en den dieperen zin van dit conflict, en de consequenties daarvan voor onze poëzie, verplaatst de zaak van een juridisch constateeren naar een psychologisch speculeeren en schept daardoor een ongelijksoortigheid van bestanddeelen, die het onfeilbaar oordeelen in dezen onmogelijk maakt. Gij ziet, u-zelf tot promotor makend van een nieuw levens-gevoel en een nieuwe poëzie, in die van Nijhoff en Roland Holst den ondergang eener afstervende wereld en in hen-zelf daarom de belagers en bestrijders dier door u voorbereide regeneratie. Gij eischt van ons, jongere dichters, op grond daarvan den strijd tegen hen, en in hen tegen De Gids.

De poëzie van een dichter heeft echter niets te maken met zijn gedrag; hier openbaart zich direct een verschil tusschen uw inzicht en het mijne. De door u

[p. 145]

geciteerde uitspraak: creëeren is voor den dichter het vervullen der opperste levensfunctie, beteekent niet, dat de ondergeschiktheid van andere functies hen tot zoo slaafsche afhankelijkheid zou verlagen, dat zij in deze onteigening niet meer werden dan afschaduwingen der dichterlijke verbeelding, dan onderworpen emanaties der creativiteit. Zij erkent de eigen-aard en autonomie dier functies; zij erkent niet de opperheerschappij van het poëtisch beginsel als alleen-heerschappij; zij verwerpt de alles-absorbeerende, levenverstarrende doem van een dichterlijk solipsisme. De eenvoudige waarheid is, dat een groot schoft een groot dichter kan zijn.

De vraag, of men in Nijhoff en Roland Holst vijanden der moderne poëzie heeft te zien, wordt in dezen niet beslist door hun werk, maar door hun hoùding tegenover die moderne poëzie. De feiten zeggen, dat R.H. niet alleen daarvoor open belangstelling heeft, maar dat hij de publicatie van zelfs die specimina daaronder, die hem krachtens zijn wezen zeer ver moeten staan, onbekommerd om hun richting, wanneer zij hem in zichzelf geslaagd toeschijnen, zelfs wanneer de soort naar zijn meening niet naar de essentieele en hoogste mogelijkheden der poëzie voert, krachtig bevorderd heeft. De critiek van Nijhoff bewijst zijn onpartijdige sympathie voor moderne poëzie onweerlegbaar. Ik concludeer, dat van hen, en in hen de Gids, in dezen zin geen bestrijding is te verwachten.

Ten slotte beantwoord ik uw vragen naar aanleiding van mijn kenschets van uw critisch werk. - Ik had niet enkele passages daarvan op het oog, toen ik sprak van een: te vaak langs uiterst-moeizaam philosophischen omweg tot psychologisch verheldren geraken van den betrokken dichter maar het totaal uwer critieken, waarin naar mijn meening het philosophisch element in verhouding tot het psychologische, tot het aesthetische vooral, onevenredig-overwegend is. (Over Verwey, over Buning.) De aesthetische waardebepaling van afzonderlijke gedichten ontbreekt in uw critieken geheel, die van den totalen dichter met name in die op Dop Bles. Behalve in de m.i. beste uwer critieken, die over De Vries en over mij zelf, wordt elders daarin die aesthetische waardebepaling onduidelijk gemaakt door het overwicht aan philosophische en psychologische analyse. De uitval: wie zegt daar puur-onaesthetisch, was een verdediging van uw critiek tegen iemand, die op grond van de bovengenoemde bezwaren, overdrijvend, die qualificatie gebruikt had. Ik heb u niet den besten puur-philosophischen criticus genoemd, maar den besten philosophischen: daarmee is in de daar gebruikte schematische onderscheiding, die Coster den besten psychologischen criticus noemt, hun hoofdzakelijke karakter m.i. voldoende bepaald. Van een schreeuwende tegenspraak tusschen. dezen term en mijn slotoordeel over uw critisch werk bespeur ik geen zweem: ik heb van uw beste critieken gezegd, dat zij aan den hoogsten norm beantwoorden, d.w.z. dat zij in de juiste onderlinge verhouding daartusschen philosophisch-psychologisch-en-aesthetisch in-éenen zijn. In de vergelijking met Coster en Nijhoff was geen sprake van dat hoogste critisch bereiken, maar van het normaal en overwegend karakter van uw aller critische practijk. De eenige, die tegen mijn karakteristiek van zijn critisch werk redelijk bezwaar zou kunnen maken, is Nijhoff. De qualificatie: puur-aesthetisch is te

[p. 146]

exclusief, maar de eenzijdigheid waarmee hij zich meestal in de richting van het in engeren zin aesthetische beweegt, verklaart mijn overdrijving.

Ik ben met u onveranderd van meening dat uw critisch ideaal het hoogst-envolledigst-denkbare is en dat het in enkele uwer critieken volkomen verwezenlijkt werd. Maar daarnaast hebben de ten opzichte van dien norm partieele normen, en de realisaties daarvan, naar mijn meening ten voile bestaansrecht. De door u gestelde norm is de hoogste en meest volledige, niet de eenige.

Dat gij-zelf die meening eveneens moet deelen, bewijst uw critiek op Henrik Scholte, die mutatis mutandis door Nijhoff geschreven kon zijn.

De geestige plastische karakteristieken die gij geeft van Nijhoff's en Coster's critiek, zijn volstrekt geen zuivere toepassingen van mijn kenschetsen daarvan, eerder een verminking. Een soortgelijke verbastering van mijn karakteristiek van ùw critiek zou ontstaan, als men schreef: De criticus Van Eyck - verwonder u niet - is een uitnemend leidsman gebleken: door de ontdekkingslust van een Marco Polo, de kennis van een Leonardo, de koppigheid van een Dominée Kersten, heeft hij ons, langs afgronden, door oerwouden en ten slotte over de Himalaya, doodmoe maar behouden, in onuitsprekelijke verwondering en verrukking binnengevoerd in het Tibet der Poëzie.

Ik heb getracht mijn antwoord helder en volledig te motiveeren. Waar het scherp werd is de aanleiding daartoe in uw schrijven gemakkelijk te vinden. Ik hoop, dat, al zult gij de inzichten die ik verdedig, wellicht niet aanvaarden, het u duidelijk zal zijn, dat de zaak, terwille waarvan wij deze brieven hebben geschreven dezelfde is: de ware en zuivere ontwikkeling der poëzie; bevreemdend en ontmoedigend is het mij, dat wij in dat streven niet tot dezelfde slotsom geraakten.

Ik verblijf inmiddels

hoogachtend,
Uw dw.,
H. MARSMAN

19 Februari 1926

 

De Vrije Bladen, maart 1926

prepostterug  begin  verder