P.N. van Eyck. ‘Inkeer’
(Bussum, van Dishoeck
1927)
Ik heb lang gewacht met het schrijven dezer bespreking. Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste heb ik den indruk gekregen, dat ‘Inkeer’ het eerste deel van een trilogie zou kunnen zijn, waarvan dan ‘Voorbereiding’ het midden moest vormen, en een, meen ik, nog ongeschreven bundel, die bijvoorbeeld ‘Vrede’ zou kunnen heeten (in de abstracte betiteling van Van Eijck's latere bundels) het slot. Maar ten slotte zou ik, als mijn fictie vervuld werd, voor eenzelfde moeilijkheid staan: te moeten schrijven over een déél van zijn werk. Want bij geen der nuschrijvende dichters wellicht, in ons land, is elke bundel (en elke groep van bundels), elk vers, elke regel zoo zeer organisch deel van een organisch geheel, als bij Van Eijck (en Verwey). De oorzaak daarvan ligt in zijn wezenstructuur: dichten is leven voor hem, en leven, ongeschreven, dichten. De ontwikkeling van zijn leven loopt niet parallel met die van zijn verzen, en zij weerspiegelen elkander niet, zij zijn één: ik weet niet, in hoeverre zijn leven te zeer poëzie is, maar zeker is zijn poëzie bijna voortdurend te veel nog leven, te veel leven dat hijgt om tot poëzie te worden getransformeerd. De levens-en-kunstleer van Van Eijck, de alles beheerschende Idee van het Dichterschap, is geen in den letterlijken zin, Platonische idee gebleven, zij is leven en bloed, eenige stuwing en hunkering, en schaarsche vervulling in hem geworden: zijn muze ligt eeuwig in barensnood. Ligt dat hieraan, dat Van Eijck's idealistische levens (-en-wereld-en-kunst-) beschouwing meer een door onverzettelijk worstelen verworven en gewild, afgedwongen inzicht is gebleven, die zijn natuur verdrongen heeft en verwrongen, verduisterd (zou ik willen zeggen, ook in den juridischen zin, als die natuur niet juist duister, somber, eenzaam en afgekeerd was, en zij door zijn levensaanvaardend verstand niet, aan de buitenkant, in de opperhuid, licht, of lichter gelogen werd) dan een, ik zou bijna zeggen, lichamelijk bezit en geloof. Ik kan het denkbeeld niet van mij af zetten, dat de denker Van Eijck in voortdurenden strijd leeft met den wezenlijken mensch in hem, met den dichter. Deze mensch is een eenzaam, duister strijder, een misschien moedeloos, grondeloos pessimist. Coster heeft van hem geschreven, dat hij deze zware zwaarmoedigheid in den lateren tijd heeft gestaald, getard en beheerscht tot een man'lijk en moedig stoïcisme. Ik geloof, dat deze conclusie onjuist is: Van Eijck wilde dat doen; diep-door-grondend denken heeft hem gezegd, dat het wezen der dingen licht zou kunnen zijn, en hij heeft dit willen gelooven; hij heeft het willen aanvaarden om, strijdend, zijn somberheid te doorbreken, te door-staan, letterlijk. Maar ik geloof niet, dat deze straalkracht hem tot in het centrum doorlicht, dat zij hem in zijn oorsprong heeft aangeraakt, en vernieuwd. Hij is, onder de strijdende, strijdbare, althans weerbare pantsering en bewapening van zijn denken, dat hem hel, en vertrouwend moest maken, een somber man gebleven, een neerslachtige, een misschien troostelooze. Deze tweestrijd verraadt zich, natuurlijk, nergens zoo
sterk als in zijn gedichten, want daarin vooral wreekt zich zijn eerste natuur, zijn monotone, hijgende, gebogen, bukkende somberheid op de tweede natuur, die nooit bloed en vezel in hem werd: want zijn aanvaarden klinkt ondermijnd; het wordt voortdurend aangevreten door twijfel, het wordt doortrokken door een grijs vergif: er zijn enkele verzen, ook in dezen bundel, die aanvankelijk lichter aandoen, maar ook naar hun beelden heller gaan worden, befloerst ze de toon; altijd beslaat hen een soms matte, soms fijne, ijle nevel van vermoeiden weemoed. Treurwilgen. Ik geloof, dat de weerbare, sterke, moeizame, onverzetlijke denker Van Eijck den dichter sterk heeft geschaad, want zijn ideologie is geen bevestiging van zijn natuur, maar een hardnekkige ontkenning daarvan, een rem, een bevriezende koude, een demper, een domper soms. Overal hijgt in zijn verzen een schroeiende onvervuldheid, een heete onmacht, een schurende kramp. Vreemd, èn in hun materie, de emoties, èn in hun reflectie in het intellect zijn zijn verzen soms van een felle, schokkende plotselinge kracht, maar poëtisch-vol klinken ze niet. Vreemd, want èn uit zijn eerste natuur, èn uit zijn tweede, èn uit hun strijd, zou poëzie voortdurend kunnen ontstaan, en zij doet dat voor mijn gevoel zelden: het is, alsof zijn verzen op het beslissende moment gaan zakken, of zij vlak voor hun geboorte terug krimpen; of zij zich voortdurend blijven wentelen in angst en onzekerheid om en over en in hun bestaan. Van elk zijner verzen kan men zeggen, met de felste en meest-essentieele regels, die ik ooit van hem las, en die zijn begrip van den mensch op aarde zuiver-christelijk maken, al aanvaardt hij wellicht de zuiver-christelijke oplossing niet: ‘een die in zich zijn hooge oorsprong schendt, een duisterling, aan slijk en stof versmeten’.
Tragisch is het binnenste levensbesef dezer verzen, tragisch en gekweld, hijgend en gesmoord is hun accent; tragisch is het, dat juist dit essentieele materiaal te dikwijls in haar geboorte tot poëzie reeds sterft, verstikt in emotie; tragisch dat dit werk de toon, die de kathar[s]is wekt in den lezer, te vaak missen moet. - Men zal nu mijn aarzeling begrijpen: het is, altijd, maar hier in het bizonder, uiterst moeilijk te benaderen (scherp te omschrijven, te verklaren, te bewijzen is het nooit) waar, en hoe de verhoudingen in poëticis liggen: ik zou, in casu, kunnen trachten de bewegingen van Van Eijck's verzen nader te preciseeren; de verhouding van klank en plastiek aan te duiden, hun bouw, en structuur na te gaan, maar ik zie er van af: ik heb de beperkte ruimte van dit dagbladartikel goeddeels gebruikt voor een aanwijzing van wat wellicht de meest essentieele zinnelijk-waarneembare factor is in de verwerkelijking van het poëtisch geheim: het accent. Dat accent, zijn eigen hypothetisch wezen en accent bereikt Van Eijck zelden. Natuurlijk is zijn mislukking ten opzichte van wat ik als zijn mogelijkheid zie, ver te verkiezen boven het bereiken van vele anderen, maar juist omdat het poëtisch materiaal van Van Eijck uit de essentieele levenscentra ontsprong, betreurt men het, dat het niet in de omzetting, d.i. zuivering en verheviging, verandering tot poëzie zijn hoogste vervulling bereikt, en tegelijk ten volle gedicht werd. - Deze teleurstelling, en dit inzicht zijn uiterst moeilijk te formuleeren, maar ik meen, dat ik met deze omschrijving dit werk niet te kort doe. Het bezwaar tegen een bespreking van een deel van Van Eijck's poëzie, omdat elk deel bij hem organisch
onderdeel is van een geheel, moest vervallen, omdat, ook bij hem, dit onderdeel, als bundel, als vers, in zichzelf een geheel blijft, een hijgend, om geboorte, om lucht, letterlijk, om licht hijgend, voor-, of drie-kwart, zelden vol-poëtisch gehéél van hevige aandoeningen, en sterke bezinning: een tragische, stijgende en zinkende, in ‘Inkeer’ sterk stijgende worsteling: een ondoofbaar, onuitroeibaar gevecht. Om klaarheid, om vrede, hoewel dat woord mij te vreedzaam klinkt, om poëzie, die in wezen klaarheid en onverganklijke kracht is. Niemand verdient deze vervullingen, zou men naar menschelijke berekening willen zeggen, als ik de theologen-term voor éénmaal bezigen mag, meer dan Van Eijck: een vurig en donker mensch, afgedaald tot vlak bij de binnenste vuren en bronnen, die bijna alles wat menschen dachten heeft na-gedacht, af-gedacht; die wellicht veel van wat menschen na hem zullen denken en leven heeft voor-gedacht en voor-voeld; een doorgronden van poëzie, en reeds daarin, van leven; een moeizame, onvermoeide. - Ik geloof, dat Van Eijck de verzen, die hij potentieel in zich heeft, of, voor een ander deel, als het ware nog onder zich heeft, later zal schrijven: het is wellicht een vooral voor hem zelf onaannemelijke veronderstelling, dat die verzen (dat diepste en opperste leven) niet te vinden zijn boven zijn neerslachtige somberheid, maar er onder. Ik meen, dat Van Eijck zich, denkend, omhoog heeft gestuurd; dat hij, uit angst voor het bodemlooze onder hem, zich naar de oppervlakte geworsteld heeft; en ik heb het gevoel, dat hij, door zich juist van zijn ideologie te bevrijden, door zijn somberheid heen, zinkend den bodem zou bereiken, die hij zoekt. De vergelijking gaat scheef, maar dat mag. Ik vind nu geen beetre; hij zal dan, in den nacht wellicht, zich in het vaste centrum der wereld voelen staan, en zelf een vast centrum der wereld zijn; hij zal kunnen ademen, en geluid geven; hij zal in vrijheid, onbedreigd, ongestoord, ongesmoord letterlijk, dichten en leven tusschen bergen en bloemen, tusschen sterren en meren, tusschen dier en mensch. Een fluistering van dit geluid hoort men reeds in het laatste gedicht van ‘Inkeer’, maar ook hier weer wordt de emotie, de hoorbare poëzie, die suist tusschen de beelden der eerste strophe verbroken door de vervloekte abstractie der tweede:
H.M.
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16 juni 1928