terug  begin  verderprepost
[p. 21]

3.
Brief
.

U.B.A. Verwey XXX.69

's-Gravenhage, 10 Nov. 1905.

Zeergeachte Heer,

Hierbij zend ik U een vijftal sonnetten, Herfstgedichten.11 Dat ik den sonnetvorm voor deze gedichten gekozen heb, is niet uit sleur, omdat véle dichters tegenwoordig dien vorm gebruiken, doch omdat hij mij voor den aard mijner verzen het meest geschikt toescheen. Daarom zijn zij dan ook allen in 6-voetige jamben geschreven. Ik hoop dat deze gedichten door U geschikt zullen geacht worden voor de opname in de Beweging.

Hoewel reeds meer dan een week in deze maand verstreken is, zal naar ik voor sneller antwoord wensch, deze zending U nog vóór den 15e bereiken.

Hoogachtend, Uw. dw.
P.N. van Eijk

Kepplerstraat 174
Den Heere Albert Verwey/Noordwijk aan Zee.

[p. 22]



illustratie
De classicus Dr. Aegidius W. Timmerman, gefotografeerd in 1917.

11Ruim een jaar na de tweede brief, op 10 november 1905, stuurt Van Eyck vijf gedichten naar Noordwijk, waarvan de beginverzen luiden:
1.
De boomen beven in den herfstwind heen en weer;
2.
Nu is de avond na den langen dag nabij;
3.
De dag wordt nu door mij in stil geschrei begraven;
4.
En 'k sta eenzaam bij zijn murw-bedolven graf;
5.
En ik sta eenzaam nu in 't wachtend avondbeiden.
In dat jaar had Albert Verwey het maandblad De Beweging gesticht. Niettemin hoort Van Eyck niets uit Noordwijk, terwijl andere bladen als De Vrije Tribune (in juli en december 1906), In 't Boekhuis (in april 1907), De Nederlandsche Spektator (in mei en augustus 1907) en Nederland (in juli 1907) werk van de jonge dichter publiceren. Dan vraagt hij aan een van zijn vroegere leraren in oude talen. Dr. A.W. Timmerman hem bij Albert Verwey te willen introduceren. Vgl. Nr. 3a.
Timmerman had hem al eens aanbevolen bij Lodewijk van Deyssel, de overgebleven redacteur van De XXe Eeuw. Door zijn vriendelijke bemiddeling waren twee gedichten in handen van de door Van Eyck eens zo heftig bewonderde schrijver gekomen: In pratis acerbis en Naar den avond, beide geplaatst in De XXe Eeuw, september 1908 resp. 320 en 321. Geen van deze gedichten werd in De Getooide Doolhof van 1909, noch in die van 1911 opgenomen. Beide vonden een plaats in V.W., 1, Amsterdam 1958; resp. op de pp. 9 en 25.
prepostterug  begin  verder