U.B.A. Verwey X.52
[ongedateerd]12
Weled.geb.Heer,
Hierbij heb ik de eer U een gedicht13 aan te bieden ter opname in de Beweging. Wetend, hoe klein de kansen zijn tusschen waarschijnlijk zooveel inzendingen, opgemerkt te worden, en ook, hoe moeilijk het voor een onbekende is, de bepaalde aandacht van den Redacteur op zijn werk te vestigen, is het niet dan met schroom, dat ik dit vers, waarvan ik zelf inderdaad wel eenige verwachtingen koester, U toezend. Ik kan U niets zeggen om mij bij U m te leiden: alleen dit vers kan dit misschien.
Ik schreef een artikel in de Kroniek14, er zal er een komen in De Amsterdammer over Moréas' Stances15, de XXsteEeuw nam een klein gedichtje ter opname aan. In den Spectactor stond j.l. een gedicht over Vincent's teekening Sorrow: dat is alles.16 Dingen, die voor dit vers niets zeggen en alleen het streven bij U kunnen doen opmerken iets meer te zijn dan de overtalrijke verzenschrijvende, Redacteurenlastigvallende jongelieden. Wilt u van mij aannemen, dat ik met het bovenstaande ook niets anders, - en geen pedanterie en opsomming van verdiensten, bedoel?
En dan, aangenomen of niet, zou ik van U de vriendelijkheid mogen vragen, mij met een paar woorden Uw oordeel aan te duiden? Het is zoo zeldzaam, wanneer men, - al is dit dan ook niet noodig om verder te gaan, - een woord van aanmoediging hoort, en,
vooral wanneer dit dan komt uit de mond van een ervaren dichter en letterkundige, is het toch niet onnut voor dengene tegen wie het gericht is. Ik zie Uw oordeel, - in dankbaarheid bij voorbaat, - met groot verlangen tegemoet.
De copie behoeft U mij niet terug te zenden: voor het antwoord zal ik de postzegel insluiten.
Met de meeste Hoogachting,
Uw dw.
P.N. van Eyck
Kepplerstraat 174
Den Haag
(19 Juni beantwoord. gevoelig en goed volgehouden. Aanvaard. Bezoek in Augustus)
[potloodaantekening handschrift van Verwey]