U.B.A. Verwey X.52
[ongedateerd]18
Den Weled.geb.Heer Albert Verwey,
Noordwijk aan Zee.
Zeer geachte Hear,
Hoewel ik vrees U noodeloos op te houden, wilde ik toch even mijn hartelijken dank betuigen voor Uw vriendelijken brief en het meer dan aangenaam bericht dat die bevatte. Zeer gaarne zal ik in den loop van de zomer trachten U een bezoek te brengen, en U dat, daar ik bang zou zijn U ongelegen te komen, dan vooraf melden.
U moet evenwel niets verwachten van mijn 6 maanden geleden geschreven stukje over de Stances. Het is niet zoozeer een beoordeeling, als wel een, - natuurlijk onvolledige - uitzegging van wat ik er in gevonden heb; zonder een dieper ingaan op eenheidskwesties, enz. waarvoor ik gevoegelijk naar een artikel in ‘Vers et Prose’ verwijzen kon.19 Ik heb Moréas beschouwd zooals ik eenvoudig ieder dichter beginnen zou te beschouwen: niet met de gedachte: dit is nu werk van den eersten strijdschriftschrijver in de bij zoovelen beruchte, voor fumisterie en charlatanerie uitgescholden Symbolistenbeweging, maar zuiver als een maker van mooie verzen.20 Naast dat, mij zelve door het schrijven wat genoegen te bezorgen, - is het doel van mijn stukje, den naam Moréas in een gelezen blad nog eens een paar maal te noemen. Want Baudelaire,

Op 22 juni 1907 bracht P.N. van Eyck dit gedicht
aan in zijn exemplaar van Les Fleurs du Mal.

Het door P.N. van Eyck in de bundel Les
Fleurs du Mal aangebrachte gedicht werd, onder de titel
‘Charles Baudelaire’, door hem opgenomen in De getooide
doolhof, Zeist, 1909, p. 16.

Het in Les Fleurs du Mal op p.
155 afgedrukte gedicht ‘Harmonie du soir’ werd door P.N. van
Eyck omkaderd of omrankt met Jugendstil danwel Art
Nouveau-arabesken.
Verlaine, Verhaeren mogen dan veel gelezen worden naast al het proza, - ik geloof toch niet dat velen bekend zijn, - en goed - met Mor., Samain of de Régnier.21
Of wàt er aan denkbeelden - heel weinig - in mijn stukje te vinden is, U, die krachtens vertalingen en kritieken, zóózeer bevoegd is, daarover te oordeelen, juist voorkomt, dat is iets, wat mij, zoo ik het hoorde, zeer aangenaam zou zijn.
Na bel. groeten en met de meeste Hoogachting
Uw dw.
P.N.van
Eyck