U.B.A. Verwey X.52
Weled.geb. Heer Albert Verwey
Noordwijk
[ongedateerd.]
Zeergeachte Heer,
Hierbij heb ik de eer U te zenden, eerstens het gedicht, waarvan ik U gesproken heb31; De Dichter en de Jonge Vrouw32, benevens een viertal andere kleinere verzen. Wat het eerste betreft: ik heb er veel hoop op gevestigd en het zal mij zéér aangenaam zijn, wanneer het goedgekeurd wordt. Niet zoozeer omdat ik dan weer een goed gedicht geschreven zou hebben, maar omdat het, in tegenstelling met gewone lyrische gedichten, die een korte geestes of ziels-toestand geven, een groot deel van mijn persoonlijk leven van een tamelijk groot deel van mijn leven-tot-nu, in zich dráágt. Daarom is het mij van zelf liever dan eenig ander voortbrengsel. Ook Avondgang heeft mijn bijzondere vriendschap. Zoodat ik het niet gaarne zou vallen zien om dingen die wellicht veranderd kunnen worden.
Met groot genoegen denk ik aan mijn bezoek bij U terug. Ik mag U dit schrijven zonder den schijn van vleien of zoo op mij te werpen. Het was de eerste maal dat ik sprak met één der dichters, die ik van den allereersten tijd dat ik verzen las af, kende. Zoo iets is toch altijd een gebeurtenis.
Zoudt U mij ook iets naders kunnen zeggen van den komenden bundel van George, en wanneer U denkt dat die verschijnen zal?33 Zulke dingen dringen over 't algemeen zoo langzaam hier door!
Mij herinnerend wat U zeidet over alle auteurs, - ben ik toch zeer verlangend naar Uw beslissing, ofschoon ik moeilijk verwachten kan dat die even spoedig zal komen als die over I lock my door. Dit zal wel van omstandigheden afhangen,
Met bel.groet en de meeste hoogachting,
Uw dw.
P.N. van Eyck
Kepplerstr. 174,
Haag.
Ik veroorloof mij hierbij een postzegel in te sluiten voor eventueel antwoord mèt terugzending, zij 't nu niet, dan later