terug  begin  verderprepost

16.
Brief
.

U.B.A. Verwey X.52

's-Gravenhage April '08

Hooggeachte Heer,

Naar ik ten zeerste hoop, wilt U mij niet ten kwade duiden, dat ik U even om raad kom vragen. Gaarne nl. zou ik eenige verzen tot een bundeltje van ± 125 paginae willen verzamelen. Dit niet om mijzelf meerdere bekendheid te geven, maar omdat ik het zeer verklaarbare verlangen heb (niet slechts in overdrukken) een blijvende samengestelde verwerkelijking te bezitten van datgene, wat mij natuurlijk ten zeerste het meeste raakt: mijn leven en mijn kunst.

Eigenlijk zal het wel onnoodig zijn tegenover den dichter, die vanaf den eersten tijd

[p. 45]

van zijn optreden reeds bundels heeft doen verschijnen,43 deze wensch te verdedigen. De bundel van 125 paginae zou dan zorgvuldig gekozen zijn uit gedichten van het laatste jaar (behoudens een enkele uitzondering). Niet alles wat geschreven is zou opgenomen worden: dan zou het boek aanmerkelijk grooter zijn.

Er zou zijn: onder de titel ‘Gestalten’: 5 groote gedichten (met een kleine Epiloog) waarvan U enkele[n] bekend zijn. Voorts een groep Liederen, in elk geval lyrische verzen. Tenslotte een groep: ‘Bezinningen’,44 De heele bundel mocht dan ‘Getijden’45 heeten, zoowel in de beteekenis gebeden, en jaargetijden, als in die van waterwas en nedervloei in eb en vloed.

Nu wilde ik U vragen: Vindt U het geen geschikt idee? En dan, een belangrijke vraag voor mij, zoudt U zoo vriendelijk willen zijn mij aanteduiden, bij welken uitgever ik eenigen kans zou hebben? Daar zie ik erg tegenop: met mijn verzen te koop te loopen. En tenslotte: zoudt U het noodzakelijk vinden, dan àlle verzen te sturen aan den uitgever, of lijkt het U voldoende voorloopig eenige overdrukken te zenden.

Ik hoop dat U het niet lastig zult vinden, dat ik U met een dergelijke zaak lastig val, maar het scheen mij, dat ik bij U den besten raad zou kunnen krijgen. Wanneer U mij hierover eens wat wildet doen hooren, zoudt U mij 'n zeer groot genoegen doen. Ik herinner mij, bij mijne zending van gedichten geen postzegel voor antwoord te hebben ingesloten. Ik veroorloof mij dus dit hierbij te doen.

Wat die verzen aangaat: vooral van ‘Maîtresse’ hoop ik de plaatsing te zullen zien.46

[p. 46]



illustratie
P.N. van Eyck in 1908. Foto: Firma Koenders, Den Haag.

[p. 47]

Zeker wéét ik dat dit genre van zinnelijkheidsontleding hier in Holland 1o niet beoefend is en 2o veel terugstooting zal kunnen vinden, maar zooveel te liever zend ik het aan U, die in Uw tijdschrift van allen het meest de Kunst hoog houdt, en in de allereerste plaats de Schoonheid zoekt. Ik weet niet of U het reeds gelezen hebt. Zoo ja, dan heeft U misschien vel bezwaar tegen de versvorm van het laatste deel. (de verzen van het eerste zijn zwaar genoeg, geloof ik.) Inderdaad heb ik niet veel regels van caesuur en gebondenheid in acht genomen, maar het lijkt mij niet wenschelijk de hartstocht al te zeer aan banden te leggen, en zoodoende het nu wel nièt harmonieuse, maar meer levende hijgen min of meer te verstikken. Maar genoeg. Bij voorbaat betuig ik U mijn hartelijken dank en verblijf inmiddels

Met de meeste Hoogachting en na beleefde groeten,
Uw dw.
P.N.van Eyck

Columbusstraat 223.

43Albert Verwey begon inderdaad al vroeg en vlug met bundelen. In 1885 verscheen te 's-Gravenhage Persephone en andere gedichten. Hij was toen net 20 jaar.
44Het zestal ‘Bezinningen’ kan men vinden in het tekstgedeelte van de reeds vermelde studie Dagend dichterschap, Leiden, 1967, op pp. 74-82.
45De naam werd De Getooide Doolhof. De hier voorgestelde titel werd die van Van Eycks tweede bundel, in 1910 bij C.A.J. van Dishoeck in Bussum verschenen.
46Maîtresse werd gepubliceerd in De Getooide Doolhof van 1911 op pp. 38-42. Het werd niet in het V.W. opgenomen. Het gedicht dateert van 4 februari 1908. Bron van inspiratie: een schilderij van Louis Legrand onder dezelfde naam. In het gedicht komen toespelingen voor op een tekening van Felicien Rops.
Louis Legrand (1863-1951) etser, tekenaar, lithograaf, illustrator en schilder. Hij tekende onder de invloed van Felicien Rops en van Degas vooral erotische en macabere voorstellingen. Men zag in hem een goede illustrator van E.A. Poe's verhalen. Maîtresse was een ets uit 1904. In het album dat Camille Mauclair aan deze kunstenaar wijdde - in de reeks: Études sur quelques artistes originaux, Paris, s.d. - vindt men een reproductie van die ets op p. 193. Op de pp. 192-194 beschrijft Mauclair de suggestie die ervan uitgaat. Naar zijn mening moet de bron voor dit soort kunst te vinden zijn in Baudelaires werk wat van enig belang is om Van Eycks gefascineerdheid te begrijpen. Een tweede door Mauclair genoemd element versterkt dat belang: met een andere ets - Les Amants - toont Maîtresse een hoge graad van ‘émotion de pensée’, waardoor in zijn opvatting de beeldende kunst een superieure vorm bereikt.
Félicien Rops (1833-1898) hanteerde vrijwel alle technieken, maar verwierf vooral naam als etser, lithograaf en illustrator. Veel van de litteraire kunstenaars uit de laatste decennia van de 19de eeuw hebben daarvan geprofiteerd. De bekendheid van zijn werk berust met name op de talrijke erotische etsen en tekeningen al heeft hij nog even talrijke maar andersoortige schilderijen gemaakt. In 1982 verscheen een studie van Leo van Maris: Félicien Rops over kunst, melancholie en perversiteit. (Oorspr. proefschrift aan de R.U. te Leiden).
prepostterug  begin  verder