U.B.A. Verwey X.52
Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk a/Zee
[Niet gedateerd.]
[(in potlood hs. van Verwey: 19 Mei ontv.
20 Mei
beantw. tegelijk met twee vorige)
De brief is dus waarschijnlijk geschreven op vrijdag 18 mei
1908).]
Hooggeachte Heer,
Hoewel U nog een viertal verzen van mij heeft47, neem ik hierbij toch de vrijheid, U er nog enkele te zenden48. Niet zonder reden doe ik dat, en ten zeerste hoop ik, dat U deze reden zult billijken.
Alleen verzoek ik U dringend, mij niet ten kwade te duiden, dat ik over mijn persoonlijke aangelegenheden spreek. De zaak is nl. dat wij, door een financieele [woord ontbreekt] van vermogend het tegenovergestelde geworden zijn. Dit heeft, met vele andere onaangename gevolgen, ook dit met zich meegevoerd, dat ik eerst niet meer zou kunnen studeeren en zou meewerken moeten tot het onderhoud van ons gezin. Door de moeder van een mijner vrienden ben ik evenwel in staaf gesteld toch student te blijven, wat om zijn vrijen tijd voor mij het verkieslijkst is en blijft49. Datgene, wat ik zou moeten bijdragen, wordt gedeeltelijk door haar betaald; voor het
andere gedeelte ± ƒ.450,- moet ik zelf, d.i. door schrijven, trachten te voorzien. Wat nu mijn productie betreft, die is altijd overvloedig geweest en dat zal wel zoo blijven. De moeilijkheid is alleen, mijn werk geplaatst te krijgen. In die mate zal het dan waarschijnlijk alleen dit jaar noodig zijn, een volgend is er tot mijn groote vreugde weer kans, dat de omstandigheid in elk geval gedeeltelijk, in 't reine komt. Zoudt U ze, wanneer ze goed zijn, spoedig willen plaatsen? het zou voor een jong schrijver als ik, die juist bij U heb mogen debuteeren, misschien wat aanmatigend zijn, en mij wellicht van een van tijd tot tijd welkome gast een ongewenschte tafelschuimer kunnen maken.50 Alleen hoop ik hierdoor den tijd, die tusschen bijdragen verloopt, omdat het niet anders kàn, -eenigszins te bekorten. Bij U, die mijn werk het spoedigste plaatste, zijn toch nog 6 maanden verloopen sinds de zending en de plaatsing van het eerste gedicht der vijf: de Dichter enz.51 De maand van het zenden tot het antwoorden zou ik zoo uitsparen.
Mischien zou, bij goedkeuring van déze, een andere groepeering van alles wat U dan heeft, mogelijk zijn. Maar hoe dit zij, ik wil U nogmaals dringend verzoeken het mij te excuseeren, wanneer ik U te veeleischend of liever veelvragend voorkom: Ik weet niet hoe U over de belangrijkheid van mijn werk denkt, niet hoeveel en hoe spoedig U zoudt willen plaatsen, - en de vrees niet genoeg bij elkaar te krijgen, - het honorarium is ook niet hoog, helaas! - dringt mij openhartig over de zaak te schrijven.
Het leek mij juist het best, wanneer ik onomwonden zei, wat er is van deze zaak, misschien voelt U genoeg voor mijn werk, om den schrijver ervan op deze wijze eenigermate te willen helpen. De vriendelijkheid, die U tegenover mij betoond heeft, toen ik het eerst met werk bij U kwam en later, gaf mij aanleiding te denken, dat ik geen kwaad zou doen dit open te schrijven.
Wat de gedichten aangaat: In het lied van herinnering heb ik het woord prachen, niet zooals in:‘de Dichter’ in zijn eene betekenis van praten, pochen, gebruikt, maar in zijn tweede van smeekend, vleiend bedelen. Dit is toch niet verwarrend? Verder koos ik voor Maîtresse opzettelijk de jambische trimeter, omdat die mèt de 5-voeter de grootste ongebondenheid in zijn gebondenheid veroorlooft, en tenslotte hèm weer boven de 5-voeter ook, omdat hij de meerdere zwaarheid heeft, die mijn vers vooral in 't begin moet bezitten. - Eindelijk meld ik U nog dat mijn adres veranderd is, na aantstaande Woensdag, in Columbusstraat 22352. Inmiddels verblijf ik beleefd groetend en bij voorbaat dankend met de meeste Hoogachting
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstraat 223.