U.B.A. Verwey X.52
Den Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee
Hooggeachte Heer,
Hierbij heb ik de eer en het genoegen U een artikeltje toe te zenden over de sonnetten van Shakespeare53: het is de U hoogst waarschijnlijk[e?] onbekende opvatting van Wilde54, door mij met een enkel argument vermeerderd, die ik onder de aandacht der letterkundigen wilde brengen.
Ook ben ik zeker, dat U haar met de grootste belangstelling zult lezen en houd mij overtuigd, dat U het voor plaatsing interessant genoeg zult vinden. Voor alle vragen geeft zij een rationeel antwoord en zij maakt eindelijk een ongestoord lezen van die mooie verzen mogelijk.
Het is mij ook aangenaam U dit te kunnen zenden, omdat U het misschien niet bezwaarlijk zult vinden, naast mijn verzen, wanneer het goed is, ook wat proza op te nemen. Zoo, zonder overlading, ben ik dan in staat wat meer in Uw tijdschrift te schrijven. Ook hierom voornamelijk ben ik blijde dit te kunnen zenden. Door het feit, dat U mij in veel en veel langer niet geantwoord hebt, dan te voren, ben ik eenigszins bevreesd geworden, dat ik U met het een of ander onaangenaam mocht hebben aangedaan. Het is nergens mijn doel geweest, natuurlijk, en het zou mij uiterst pijnlijk zijn, U die mij zoozeer tegemoet gekomen zijt, onwillens tegen mij te hebben ingenomen. Ik hoop dat ik U bij de blootlegging mijner financieele zorgen, niet de meening heb gegeven, als zou ik van mijn kunst een geldzaak maken. - ik meende het aan U te mogen schrijven en van U, zoo het mógelijk was, eenige hulp te kunnen verwachten. Mijn productie is van zichzelve overvloedig genoeg, en ik kweek geen kunstmatige inspiratie.
Ik wilde U vragen, of in het Julinummer wellicht werk van mij geplaatst zou kunnen worden55. U weet niet, uit welk een verlegenheid mij dit helpen zou. Van mijn onmisbare bijdrage voor 1 Juli ontbreekt mij nog een ƒ.25,- Zoudt U mij niet eens
willen schrijven? Ik hoop, dat U mij dit verzoek niet ten kwade duiden zult; er is eenige noodzaak toe. Heden ontving ik een briefkaart van de XXste Eeuw, dat mij van een prozaverhaal, verleden jaar Augustus aangenomen, geen voorschot gegeven kan worden.
Het loopt mij dus niet mee.56
Na beleefde groeten verblijf ik inmiddels
met de meeste Hoogacht.
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstraat 223, Haag
19 Mei '08