terug  begin  verderprepost

20.
Brief
.

U.B.A. Verwey X.52

1908

Den Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey

Noordwijk aan Zee

[Niet gedateerd]60

Hooggeachte Heer,

Hierbij waag ik het nog eens een aantal (4) gedichten te zenden61.

Van harte hoop ik dat Uw antwoord anders zal wezen dan het vorige. Het laatste heeft mij vooral hierin aan 't twijfelen gebracht: bezit mijn werk zulk een sterke eigenschap van verveling en drooge saaiheid, dat alleen verschillende soorten het genietbaar kunnen maken? Van elk soort één, schrijft U. Is dat eigenlijk geen veroordeeling? Want ik kan toch onmogelijk mijn leven lang altijd weer andere soorten, andere vormen toepassen. Dít zou het uitgeven van een bundel ook waarde geven: in een kritiek een uitgebreide(n) beschouwing te lezen. Zoo zou ik precies Uw meening en waarop zij steunt ter harte kunnen nemen, - en maar werken....werken... als er wat aan te doen is door werken. Ik ben nooit geleid, gelukkig misschien, maar wenken kunnen hun diepgaande werking hebben, - en ik heb er nooit een gehad.

[p. 52]

Mag ik U nog even laten zien, dat mijn financieele berekening toch géén misrekening is geweest? Van de ƒ.400,- door mij dit jaar bijeen te krijgen, geeft mij alleen reeds een groot prozastuk in Europa (in 't najaar: Buveuse d'Absinthe) een ƒ.100,-62). Van de XXe Eeuw kreeg ik toezegging, dat mijn werk in 1908 geplaatst zou worden ± ƒ.50.63 Europa geeft mij voor gedichten ƒ.2.50 en plaatst wel niet veel, maar nog al vaak64). Daarbij komen mijn losse opstellen over kritiek, de andere tijdschriften, de Gulden Winckel, enz.65 Tenslotte, doordat ik gehoopt had in de Beweging elk jaargetijde, 4 × dit jaar, iets opgenomen te zien (het ging al Sept. Dec.-Maart) elke keer omtrent ƒ.20, (z.a.van 't jaar De Dichter e.d. J.V.) zag ik daarin een van mijn hoofdbronnen. U ziet: het gaat voortreffelijk. Alleen het meeste komt pas in 't najaar. Het eerste kwartaal kwam ik uit, nu waarschijnlijk, zal het een ƒ.20,- schelen, wat ik dan leen. Het is gelukkig maar voor dit jaar. Daarna zal de financieele toestand, hoop en verwacht ik, wel weer, voldoende tenminste, gerestaureerd zijn.

Die heele bekrimping is zeer onaangenaam, vooral daar wij aan weelde gewend waren, - maar gelukkig is 't slechts kort.

Ik heb nu allerlei gedichten uitgezocht. Toch zijn er twee, waarin iemand spreekt. Dit neemt niet weg dat ze heel anders zijn, dan vorige en ook onderling veel verschillen. In die groote gedichten geef ik eigenlijk eigen geestes(-) of gemoedstoestanden en zijn het dus ook in zekere zin geen lyrische gedichten, - is het niet of ík spreek? En ik maak de zaak algemeen, door de inkleeding.

Pan heeft natuurlijk alleen de naam gemeen met het gedicht dat ik U eens zond66.

Orpheus, - ook daarvan zal het idee wel niet te veel verborgen zijn - kan ik evengoed

[p. 53]



illustratie
Jan Greshoff in 1914.

[p. 54]

overbrengen in de derde persoon, maar het is zoo natuurlijker. Zoo vooral ook Pan. Pan in de eenzaamheid sprekend, wordt door niemand beluisterd, niemand kàn het vertellen. De Ode aan het Land is heelemaal anders, meen ik, dan wat U tot nu toe van mij zag.

Het doet mij zeer veel genoegen, dat, naar ik zie, Uw mooie rede in ons auditorium, afzonderlijk is uitgekomen; wat zou er waardevoller zijn dan iets dat stukken leven van twee dichters tegelijk bevat?67 Er worden in ons saaie ‘intellectueel middelpunt’ helaas te weinig zulke lezingen gehouden68. Waarvan het peil der meesten onzer 1400 studenten misschien wel de schuld is.

U zult het wel erg druk hebben. Toch hoop ik, dat U, mocht U een onplezierig antwoord sturen moeten, het mij maar dadelijk zult doen toekomen. Dat is veel zekerder voor mij. Inmiddels verblijf ik, Met de meeste Hoogachting, bij voorbaat dankend,

en na beleefde groeten,
Uw dw.
P.N. van Eyck

Columbusstr.223.

60Verwey reageert direct op deze brief d.w.z. op 1 juni 1908 (zie nr. 21). Aan te nemen valt dat dit epistel gedateerd kan worden op 30 of 31 mei 1908.
61Dat waren Orpheus' vaart langs de Seirenen, Pan, Ode aan het Land, Bezinning. De eerste twee werden geplaatst in De Beweging IV (1908), 4; pp. 191-202, onder de titel Mythen en Gedaanten. Het andere tweetal werd opgenomen in De Beweging V (1909), 1; pp. 308-318, onder de titel Gedichten. Hier was nog een gedicht bijgevoegd: Erkentenis.
62Buveuse d'Absinthe in Europa van maart, april, mei 1909. Europa, Maandschrift voor Nederlandsche en Vreemde Letteren, verscheen van 1838 tot 1910, toen het opging in Groot Nederland. Het had overigens een nòg bredere bedoeling en nam bijdragen op, ‘ter bevordering van wereldkennis en aangenaam onderhoud’. In een lange reeks van jaren was er een wisseling van uitgevers onder wie de befaamde Chr. J.L.W.E. Gosler te Haarlem, die van 1881 tot 1883 Astrea uitgaf en beheerde. - Ook verscheen bij hem Julia, het spotgedicht van Kloos en Verwey. Hij besprak dit zelf in Europa onder het pseudoniem Krino. Onder de medewerkers van dit maandschrift vallen de namen van F. Coenen en Top Naeff op. Na de overneming van Het Leeskabinet - tussen 1904 en 1905 - werd Europa met ingang van 1907 uitsluitend een maandblad voor letterkunde onder leiding van Johan de Meester. Deze stelde zich tegenover Albert Verwey op o.a. in een Nutslezing die in mei 1907 in het blad gepubliceerd werd. Verwey reageerde daarop in De Beweging van november van dat jaar. P.N. van Eyck droeg gedichten bij, terwijl in de nrs. van maart, april en mei 1909 zijn grote verhaal Buveuse d'Absinthe opgenomen werd.
Ook te vinden in het tekstgedeelte van Dagend Dichterschap. Leiden 1967; pp. 85-109.
63In de XXe Eeuw van september 1908 op de pp. 320 en 321 In Pratis Acerbis en Naar den avond. Zij werden niet opgenomen in de bundels. Het eerste is als ‘motto-gedicht’ opgenomen op p. 9 van V.W. 1; het tweede op p. 25 van dezelfde bundel.
64Sinds december 1907 nam Europa vrij geregeld poëzie van Van Eyck op: drie gedichten in 1908: in april één: Lied van Dag en Nacht; juni één: Middag en september één: Ac etiam; in 1909: januari drie: Lied, Na 't hooren van een wals van Brahms en Lentelied in de Herfst geschreven; en in oktober één: Aan een jonge zanger.
65Edw. B. Koster in Den Gulden Winckel (15 september 1907); Boutens' Stemmen in de Nederlandsche Spectator (25 januari 1908); Nico van Suchtelen in Den Gulden Winckel (15 maart 1908); Emile Verhaeren ‘Les Héros’ in De Amsterdammer (31 mei 1908).
66Zie nr 7; noot 23.
67Droom en Tucht, rede op uitnodiging van de Litterarische Faculteit der Leidse Studentenvereniging op 27 juni 1908, Potgieters honderdste geboortedag, gehouden.
68Het ‘saaie intellectueel middelpunt’ was de Rijksuniversiteit te Leiden.
prepostterug  begin  verder