Noordwijk a/Zee
1 Juni 08
Waarde Heer Van Eyck,
Ziehier een snel antwoord. Uw gedichten zal ik met genoegen plaatsen. De klank en kleur van uw poëzie voel ik het sterkst in Orpheus' vaart. Toch hebben de anderen hun eigen tint en zuiverheid.
In een tijdschrift verlangt men meestal stalen, geen herhalingen. Dat veel gedichten van eenzelfde soort alle goed kunnen zijn, ontken ik niet. Toch bedoelde ik wel een wenk: u heeft, voor iemand van uw jeugd, een bizonder gelijk blijvende dictie, een overheerschende dictie. Komen daarbij ook nog de overheerschende kompositievormen, dan gaat alle gezag in uw werk naar die reflektief-vaststaande, en voor het vrijere scheppende vermogen, voor fantasie en woord, schiet niets over dan het, langs de eenmaal gegeven lijnen, ophoogen en aanvullen. Niet dat ik u van het ‘inkleeden’ wil afhouden: in Nederland zijn wij daarin voorloopig ten achter; - maar ik wil u de bron niet zien vergeten, om beekjes die zonder bron uitdrogen.
Het doet mij genoegen dat u er geldelijk beter voorstaat. Ik wist ook niet dat u, voor Europa, een zoo groote proza bijdrage geschreven had. De vorige verzen zijn bij den drukker en als er ruimte is, denk ik ze in het Juli-nr. optenemen.69
Vriendelijk gegroet
Albert Verwey