[Ongedateerd]77
Den Weled.geb.Heer, den Heer Alb. Verwey
Noordwijk aan
Zee.
Hooggeachte Heer,
Daar mijne vorige zending van 5 en uw antwoord daarop van 7 Juni was, en het dus alweer bijna een half jaar geleden is, dat U lets van mijn hand ontvingt, neem ik thans de vrijheid U een arbeid aantebieden.78 Het is wel de laatste der mythologische gedichten, die ik voorloopig schrijf - daar ik mij deze maanden met lyriek en een drama in verzen bezig houd, - het is ook het allergrootste, en ik zend er u twee fragmenten van. Ik sprak er over in mijn vorigen brief, en heb er veel hoop (op) gesteld. In 't eerste fragment zult u, meen ik, vooral in de eerste helft, een zuivere lijn vinden en
minder bepalende bijv.naamwoorden, en ik meen, dat het tweede, 't verhaal van Poseidon en Medousa's liefde, geheel anders bewerkt dan de andere mythol.gedichten, tot het baste behooren dat ik tot nu toe schreef.
Ik had, eerlijk gezegd, met de gewone jeugdige onbedachtzaamheid, die mij van tijd tot tijd vergeten deed, hoe druk en bezet uw dagen zijn moeten, al eens uitgezien, of u niet het een en ander zoudt schrijven over wat ik in mijn vorigen brief aanroerde. Misschien heeft U er een[s] spoedig gelegenheid voor, wanneer ik Uw beslissing mag vernemen?
Ik stuur U wel wat veel, maar... U kunt er een heelen tijd mee doen, wanneer U dat wilt. Uw lijst in de Dec.aflev. is anders reeds rijk en wèl voorzien. Het trof mij alleen, dat mijn naam er niet bij genoemd staat, en daar tobben nog al eens een lastige kwaal van mij is, heb ik mij natuurlijk direct afgevraagd, of ik, in verband met Uw stilzwijgen, U eenigszins zou hebben kunnen ontstemmen. Vooral nu ik de financ.kant mijner medewerking heb aangeroerd, ben ik bang, dat ik lastig gevonden word, met mijn inzendingen; - en dat drukt mij nog al. Enfin, ik hoop dat U mij mijn gezeur zult vergeven. Ik geloof, dat ik zoo iets al eens vroeger geschreven heb.
Heden schreef ik aan Gutteling.79 Mijn meening over zijn verzen, vooral zijn latere dan, is langzamerhand nogal gewijzigd en de vert. v. Shelley deed mij een oogenblik beduusd staan.80 Ik bewonder de moed van iemand, die zoo'n zwak gestel heeft, zoo'n reuzenarbeid te willen herscheppen en het te volbrengen. Ik vroeg hem om een overdrukje, in de hoop dat wij tegelijkertijd een weinig in kennis konden komen. Met de meeste hoogacht. en na vr. en bel. groeten, verblijf ik inmiddels
Uw dw.
P.N. van Eyck