terug  begin  verderprepost

24.

Aan den Weled.geb. Heer, den Heer Alb. Verwey
Red. van de Beweging
Noordwijk a/Zee
[met potlood (in Van Eycks schrift) geschreven: eind 1908]

Hooggeachte Heer,

Hierbij heb ik de eer U een drietal gedichtjes ter opname aan te bieden van de hand van een jong dichter, Jan Greshoff.81 Niet omdat ik meen, dat mijn begeleidend

[p. 58]

schrijven eenigen invloed zou kùnnen uitoefenen, ging ik op zijn verzoek ze te willen zenden, in, maar omdat, zooals hij zeide, op deze wijze een schijn van geringe bekendheid ontstaan zou, die altijd gunstiger moest zijn dan een geheele kille onbekendheid. Op mijn aanraden heeft hij slechts zéér weinig genomen, en, op mijn eigen gezag, zend ik er nog 2 minder, dan was afgesproken. Ik zal natuurlijk U niet vermoeien met de mededeeling van míjne meening, ofschoon het mij wellicht vergund is, te zeggen, dat er sommige delicate eigenschappen voor mij inliggen, die ze mij aangenaam maken. Hetgeen nòg een gevolg zou kunnen wezen van mijn sympathie met de persoon, die in de meeste opzichten een lijnrecht tegenovergestelde is aan de mijne. Zoudt U zoo vriendelijk willen zijn, het antwoord aan mijn adres te zenden?

Is er voor mij zelf kans op spoedige plaatsing mijner gedichten? Zooals U gezien hebt, misschien, nam ook de Nieuwe Gids een (oud) gedicht van mij op.82 Een oogenblik dacht ik, dat dit U minder aangenaam kon zijn: maar het feit, dat U van mijne financiëele zwakheid eeniger mate op de hoogte is, deed mij toch tot de zending, waartoe Dr.Koster mij bovendien nog al drong, besluiten.83

Ik schreef U eenige maanden geleden over een uitgave. Voor den raad, toen door U gegeven, wil ik nog mijn dank betuigen. Het nieuwste plan is, niet een bundel gedichten, maar één gedicht uittegeven. Het zou een boekje van ± 80-90 paginae worden ('t gedicht telt ± 2350 regels) maar ik zie op tegen 't zoeken van een uitgever.84

Wanneer het mogelijk was, na niet àl te langen tijd, - als iedere jonge dichter is Greshoff zeer verlangend Uw beslissing te hooren, - zou ik dus gaarne iets van U hooren. Het vorig antwoord, 1½ dag na de zending, was waarlijk van een vriendelijke, zeer verrassende snelheid.85 Na beleefde gr.

Met de meeste Hoogacht.
Uw dw.
P.N. van Eyck

Colombusstraat 223.

[p. 59]



illustratie
Edward B. Koster. Foto: A.J.M. Steinmetz, Den Haag.

[p. 60]



illustratie
Titelblad van De Nieuwe Gids, september 1908.

[p. 61]



illustratie
Aanhef van ‘Odusseus en Kalupsoo’, door P.N. van Eyck, in De Nieuwe Gids, september 1908, p. 923.

[p. 62]



illustratie
‘In pratis acerbis’ en ‘Naar den avond...’, door P.N. van Eyck bijgedragen aan De XXe Eeuw, september 1908, p. 320 en 321.

[p. 63]



illustratie

[p. 64]



illustratie
Omslag van De XXe Eeuw, september 1908.

[p. 65]



illustratie
Omslag van Europa, september 1908.

[p. 66]



illustratie
‘Ac etiam’, door P.N. van Eyck, in Europa, september 1908, p. 193.

[p. 67]



illustratie
Titelblad van de drie-en-zeventigste jaargang van De Gids.

[p. 68]



illustratie
Aanhef van ‘Het kind in den boomgaard’, door P.N. van Eyck, in De Gids, september 1909, p. 134.

81Jan Greshoff (1888-1971), dichter en essayist. Schreef aanvankelijk in de trant van de dichters van Tien: ‘zware’ ritmen en ‘verheven’ woorden, maar keerde zich daarvan later af en schreef sindsdien door sneller ritme en woorden aan de omgangstaal ontleend lichtvoetige poëzie in ironische toon. Een aparte bekendheid verwierf hij zich door in begrijpelijke taal heldere kritische beschouwingen te schrijven over auteurs en boeken in verschillende bladen, waarvan Het Vaderland het voornaamste zou worden.
82Odysseus en Kalupsoo werd geschreven op 2, 5 en 6 juni 1907. De Nieuwe Gids, Nieuwe reeks XXIII, pp. 923-929, september 1908. Verder in De Getooide Doolhof 1911; pp. 14-20. Van Eyck noemde het een ‘oud’ gedicht, omdat hij zoveel poëzie nadien geschreven had. Bovendien had hij veelvuldig het idee van een verandering, die een vernieuwing zou zijn, waarbij hij zijn verleden snel als verouderd zag.
83Dr. Edw. B. Koster (1861-1937) was een Van Eycks leraren in de klassieke talen op het Haagse Gymnasium geweest. Hij behoorde tot de ‘kennissenkring’ van Nieuwe-Gidsfiguren als Kloos en Verwey. Van Deyssel kritiseerde in 1890 zijn poëzie zo onbarmhartig dat Koster voor goed gekwetst was. Hij schreef lyriek en epiek, vertaalde een aantal van Shakespeares stukken en was ook als vertaler uit het Duits, Italiaans en uit de Oude Talen bijzonder actief.
84Vermoedelijk was dit Medousa, dat echter niet in die vorm en in dat jaar gepubliceerd is. Pas in De Getooide Doolhof van 1911 verscheen Medousa en Poseidoon: ‘fragment uit een gedicht in 4 zangen’. Hij had dit geschreven in 1908, toen hij in Leiden studeerde. (zie nr 22; noot 76).
85Zie nr. 21.
prepostterug  begin  verder