's-Gravenhage, 4 Jan. '09
Hooggeachte Heer,
Met verwondering zag ik, dat ook in de Januari-aflevering de twee verzen die wegens plaatsgebrek in 't Nov. nummer niet verschijnen konden86 nog niet voorkomen. Ik kon daarvoor geen andere reden vinden, dan dat U toestemde in 't voorstel, dat ik U in een vorigen brief deed: ze eenige maanden te laten liggen om ze daarna met een enkel ander vers tezaam op te nemen. Ik heb dan ook de eer U hierbij daartoe nog 2 kleinere gedichten aan te bieden, in de hoop, dat zoowel ùw opvatting over deze, als de mijne over het uitblijven der andere voor mij gunstig zal zijn.87
Ik had alreeds eenig schrijven van U verwacht, en het feit dat ik in die verwachting werd teleurgesteld, heeft mij langzamerhand in zulk een spanning gebracht, dat ik eigenlijk blij was, een aanleiding te hebben U nogmaals te schrijven. Alles ongeveer is tegengeloopen. Behalve de niet-plaatsing van de twee verzen, bleef ook het beloofde verschijnen in Europa van mijn ‘Buveuse d'Absinthe’ uit, even zoo de eveneens beloofde verschijning van mijn reeds zeer oud verhaal in de XXste Eeuw, beiden de bolwerken van mijn financ.positie.88 Ik hoop dan ook, dat U zich bij eventueel ongunstig bericht, niet zult laten weerhouden mij dat te melden: ik heb liever slechte, dan geen tijding.
Kloos vroeg mij per brief om een studie over een Fransche mod. dichter, zoo spoedig mogelijk. Ik had er geen, en zag ze om 't hoogere honorarium liefst in de Gids.89
U begrijpt wel, wanneer ik 't niet noodig had, zou ik er niet aan denken, in àl die tijdschriften te schrijven. Nu moet ik maken dat de endjes bij mekaar komen.
Ik ben gelukkig in correspondentie getreden met Gutteling,90 zoodoende kom ik eindelijk eens althans een klein weinig, uit mijn geïsoleerdheid, want hièr is 't niet veel.91
Ik wilde U gaarne nog eens bezoeken, wanneer U dit niet onaangenaam is. Mag ik dan eens hooren, of U dit goed vindt.
Bij voorbaat dankend voor Uw antwoord.
Na bel. gr. met de meeste Hoogacht.
Uw dw.
P.N. van Eyck