terug  begin  verderprepost

26.
Brief
.

Noordwijk a/Zee 19 Jani 09

Waarde Heer Van Eyck,

Ik moet U nog danken voor uw toezending van een overdruk, en antwoorden op enkele brieven en bijdragen.

Het artikel over Samain lijkt mij goed wat de stof betreft: het denkbeeld dat ge u van hem gevormd hebt, en waarvan ik door uw schrijven belangstellend kennis nam.92 Het onvoldoende lag in het uitgroeien van dat denkbeeld tot een opstel. Doorgezien in de kolommen van een weekblad zou het een belovenden indruk hebben nagelaten. Aangeboden als studie in een tijdschrift stelde het teleur.

Van uw Medousa-fragmenten zal ik er geen plaatsen.93 Niet, omdat u daarin bij vorige gedichten vergeleken, te kort schiet, maar omdat dergelijke lange brokstukken noch de Beweging noch uw reputatie baten. Het tweede fragment heeft iets groots en

[p. 71]

overzichtelijks.94 Daarbij is uw vers voortdurend in goeden vorm. Maar die twee eigenschappen samen: overzichtelijke voorstelling en het handhaven van een goedgevormd vers, zijn een gevaar. Zij kunnen namelijk beide door een te lichte impuls worden aktief gemaakt. Gemak, overzichtelijkheid, en dientengevolge: lengte, - ze zijn er zonder dat daarom de schoonheids-impuls sterker wordt. Dit acht ik uw zwakke, het voor u gevaarlijke punt. Vooral omdat, door de omstandigheden gedwongen, veel te schrijven, - de bereidwilligheid van de tijdschriften om uw werk te plaatsen, een bijkomstige verlokking is.95

Van de twee kleine gedichten die u het laatst zond, is Gebed m.i. verreweg het minste. Erkentenis heeft niet zoozeer een sterk gevoel, als wel een gedachtefelheid, die in een enkel voorbeeld opmerkelijk is.

Met de Ode aan het Land (eigenlijk te lang) en Bezinning, kan dit Erkentenis tot één bijdrage vereenigd worden.96

Ware het mogelijk dan zou ik u het genoegen doen van spoedige, van dadelijke plaatsing. Maar er wachten veel bijdragen.

Met genoegen hoorde ik dat u in briefwisseling is met Gutteling. Houd u aan hem. Hij is een goed vriend en een goed raadgever.

Met vriendelijke groeten.
de uwe
Albert Verwey

92De Studie over Albert Samain werd opgenomen in De Gids 72 (1908), IV; pp. 253-291.
93Van de fragmenten is alleen bekend dat van Medousa en Poseidoon, even verderop als ‘iets groots en overzichtelijks’ hebbend door Verwey genoemd als het tweede fragment. Het werd opgenomen in De Getooide Doolhof, 1911, pp. 73-87.
94Beide fragmenten waren ontleend aan een episch gedicht Medousa in 4 zangen, gecomponeerd in 1908. Zie: P. Minderaa, Medousa van P.N. van Eyck in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1953-1955, Leiden 1955; pp. 3-14. Zie nr. 22; noot 76.
95Over de noodzaak om zo veel mogelijk te publiceren zie nr. 25.
96Voor deze plaatsing eveneens nr. 25, noten 86 en 87.
prepostterug  begin  verder